Mei 1940: kogels, brand en bommen in de dierentuin

Al voor de grote aanval op Rotterdam is de dierentuin een doelwit voor de Duitsers. Veel beesten sneuvelen. Is het niet door de bommen dan wel door brand of de de kogels van een executiepeloton. Het verhaal van oppasser Janus, leeuw Tammo en twee taaie krokodillen.Door Ingrid SmitsHet is 12 mei 1940, Eerste Pinksterdag. In de Rotterdamse dierentuin ligt het krokodillenkoppel Hakuna en Matata roerloos tussen de waterlelies. ´Geen zorgen´ betekent de samenvoeging van hun namen in het Swahili. Maar in de zoo is de stemming allesbehalve zorgeloos.

Het is oorlog en dat is tot in de dierentuin te merken. Een dag na de invasie hebben de Duitsers vanuit vliegtuigen het roofdierenverblijf al met mitrailleurs onder vuur genomen. De ruiten van het gebouw liggen aan gruzelementen. Maar als door een wonder zijn de leeuwen en tijgers er zonder kleerscheuren vanaf gekomen. ´Ze waren intuïtief hoog in de kooi gekropen´, zegt verzorger Janus van den Berg.

´Daar zit spier in´
Janus is een van de vijf oppassers, die op 12 mei nog aan de slag is in de dierentuin. Collega´s van Zuid kunnen niet meer op hun werkplek komen, omdat de Duitsers de bruggen over de Maas hebben bezet. Andere dierenverzorgers zijn opgeroepen om te vechten.

Janus bivakkeert bijna continu op zijn werkplek. Want ook 's nachts is er bewaking nodig. Naar zijn huis aan de Katshoek gaat hij alleen nog maar om een pakje boterhammen op te halen. Slapen? Dat doet hij op een baal stro, bij de apen.

De dierenverzorger is een coryfee. Als 17-jarige begon hij bij de fazanten. Daarna kwamen de apen en de beren. En de laatste tijd bekommert hij zich vooral om de leeuwen. Roofdieren zijn mooi, vindt hij. ´Daar zit spier in, dat is een en al kracht.´ Janus zal tot aan zijn pensioen in de dierentuin blijven werken.

Zijn favoriet? Dat is zonder twijfel Tammo, de leeuw met wie hij elke dag een wandelingetje over het terrein maakt. Tammo (in sommige geschiedenisboeken ook wel Tom genoemd) is in de dierentuin geboren. Hij is een halfwees, want zijn moeder ging na vier weken dood. De directeur van de dierentuin heeft de welp daarna grootgebracht. In zijn eigen huis, met een flesje.

Janus is niet bang voor Tammo. De leeuw is mak en met zijn drie jaar nog niet helemaal uit de kluiten gewassen. Bovendien kan de oppasser altijd rekenen op Black, de zwarte herdershond die ook mee gaat kuieren. Black en Tammo zijn vrienden. Ze slapen meestal samen in de roofdierengalerij.

De leeuw moet binnenkort verhuizen. Naar de nieuwe dierentuin in de polder Blijdorp. Architect Sybold van Ravenstein heeft daar een mooie pleisterplaats voor Tom en zijn soortgenoten ontworpen. Ze zullen niet meer 24 uur per dag in een kooi zitten, maar overdag vrij kunnen rondlopen op een stuk grond dat door een greppel van het publiek wordt gescheiden. Tom krijgt het een stuk fijner daar, vermoedt Janus.

In de tuin bij de Kruiskade is de afbraak al begonnen. Het reptielenverblijf is bijvoorbeeld niet meer. De slangen zitten in een kisten in het huis van de portier en de krokodillen vinden tot de verhuizing onderdak in de Victoria Serre, die bekend staat om zijn reusachtige waterlelies. De bladeren van deze Victoria Regia zijn zo groot dat ze met gemak een kind kunnen dragen. Veel Rotterdamse jonkies zijn op de foto gegaan op zo´n megablad. Maar nu kan dat niet meer, omdat Hakuna en Matata er tussenin drijven.

De dierentuin is sowieso gesloten voor publiek. Op 31 december 1939 zijn de poorten dichtgegaan. Op het voeren van de papegaaien, een ritje op een olifant of een showtje van Josephine, de schrijvende chimpansee, zullen de bezoekers tot de zomer moeten wachten. Dan gaat de nieuwe diergaarde volgens plan open.

´Niet fris´
Die ochtend eet Janus een broodje op de trappen van het apenhuis. Hij is moe, want van slapen is niet veel gekomen. Twee mensapen, die naar buiten zijn gehaald om wat te spelen, leiden hem met hun capriolen af van de zorgen die hij heeft. De Duitsers zijn er op uit om het verkeer in de stad plat te leggen, heeft Janus gehoord. Ze hebben het gemunt op vliegvelden en bruggen. De dierentuin ligt in het centrum van de stad, vlakbij station Delftse Poort. Zal daar misschien ook een bommenregen neerkomen?

´Mogge!´, zegt de oppasser tegen een van de Nederlandse soldaten, die het gebied rond het station bewaakt en daarbij zijn rondje maakt door de dierentuin. Maar tot een gemoedelijk praatje komt het niet. Aan de horizon doemen vliegtuigen op. Ze cirkelen rond en vertrekken weer. Helaas niet voor lang. Als ze terugkeren is het - om met Janus te spreken - ´niet fris meer.´

De tuin wordt met achttien brisantbommen bestookt. Om zich heen ziet Janus het ene na het andere gebouw ineen zijgen. Op sommige plekken breekt brand uit. Overal wordt gebruld, geloeid en gekrijst. De dieren zijn in paniek. De oppasser kan weinig voor ze doen. Hij vlucht de stookkelder van het apenhuis in en komt er pas weer uit als de vijandige vliegers zijn vertrokken.

De bommenregen verandert de zoo in een horror-oord vol kadavers. Vooral de hoefdieren zijn de dupe. Janus en zijn collega´s struikelen over de dode kamelen, alpaca´s, damherten, lama´s en manenschapen. Andere beesten zijn zo gruwelijk opengereten dat ze door de verzorgers uit hun lijden moeten worden verlost. Van de vijf jonge struisvogels, die net uit Parijs zijn aangekomen, is helemaal niets meer over. Geen snaveltje, geen pootje, geen veer.

Doodvonnis
Voor Janus is er een schrale troost: oogappel Tammo heeft het bombardement overleefd. Met zijn kornuiten staat hij in de roofdierengalerij. Tot aan de nek in het puin, dat wel. De vraag is alleen: voor hoe lang nog? Want anderhalf uur na het bombardement komt er een militaire order. Een doodvonnis. ´Knal de roofdieren af!´, beveelt een commandant, die bang is dat de traliehokken bij een nieuwe aanval niet overeind blijven en dat het centrum van de stad geteisterd zal worden door loslopende leeuwen en tijgers.

Janus en zijn collega´s verzetten zich niet. Wat moet dat moet, is het motto dat ze plichtsgetrouw aanhouden. Gelukkig hoeven ze de kogels niet zelf af te vuren. Ze moeten de militairen van het executiepeloton alleen vertellen waar de dieren het best kunnen worden geraakt.

Er gaan geweren door de tralies. Páng! Daar gaat Hans, de bruine beer. Páng! Daar sneuvelt Grietje. Naast de beren worden ook negen tijgers, vier panters, zeven leeuwen en drie jaguars voor de lopen gedreven. Verschrikkelijk, noemt Janus de moordpartij. Maar, zo voegt hij eraan toe: ´Je had geen tijd om te treuren, er was zoveel te doen.´

De 3-jarige Tom heeft van de militaire commandant zowaar gratie gekregen. Samen met een tijgerin, haar twee welpen, een kwartet kleine ijsberen en nog wat jong spul mag de publiekslieveling blijven leven.

Janus heeft amper tijd om er bij stil te staan. De zeeleeuwen zijn immers ontsnapt. Volgens de berichten trekken ze vrolijk baantjes door de Westersingel. Met een rammelend emmertje vol vis lokt Janus ze weer terug naar het gehavende terrein.

Inferno
Op 13 mei blijft het rustig in de dierentuin, al werken Janus en zijn collega´s zich drie slag in de rondte om zoveel mogelijk noodhokken te bouwen. Zo af en toe komt er een vliegtuig over. Dan schieten vooral de mensapen in de stress. Ze vluchten naar de hoek van hun hok en trekken een zak over hun kop.

Het gevechtsfront in de stad is een eind verderop, bij de Maas. Daar proberen Nederlandse militairen met man en macht te voorkomen dat de Duisters verder oprukken. De koningin is naar Engeland uitgeweken, maar dat betekent niet dat Nederland van plan is zich over te geven. Het verzet dat Rotterdam biedt, valt Hitler tegen. De Führer verliest zijn geduld. Achter de schermen wordt gedreigd met ´de scherpste maatregelen van vernieling.´

Zo wordt het 14 mei. Een prachtige lentedag. De zon schijnt en overal in de stad hangt de bloesem aan de bomen. Janus heeft opnieuw een nacht doorgebracht op een baal stro in het apenhok als hij aan het begin van de middag de sirenes van het luchtalarm hoort. Het geloei mengt zich rond 13.20 uur met het onheilspellende geronk van Heinkels, Duitse bommenwerpers.

Wat volgt is een hels kabaal. De eerste projectielen zijn op Kralingen gevallen. Nu is het centrum van de stad aan de beurt. Voor Janus is het aantal explosies niet bij te houden. ´Rotterdam heeft 97.000 kilo aan brisantbommen voor de kiezen gekregen´, krijgt hij later te horen. ´Rotterdam heeft zijn hart verloren.´ En: ´Honderden doden.´

De dierentuin blijft deze keer buiten schot. Maar overal in de stad ontstaan branden, die later op de dag overslaan naar de zoo. Sommige beesten vallen levend ten prooi aan de vlammen. In een penetrante walm van gerookt vlees moet Janus het ene na het andere hok ontgrendelen om te voorkomen dat nog meer dieren zo tragisch aan hun einde komen.

De brandweer doet er ook alles aan om zoveel mogelijk beesten te redden. Vier jonge ijsberen, die in een kooi tussen twee brandende gebouwen zitten, worden continu bespoten. Hun vacht is door de hitte en de rook helemaal bruin geworden, ziet Janus. Ook de neushoorn krijgt van de spuitgasten permanent een douche. Net als de oude olifant, die stug weigert zijn krappe verblijf te verlaten en onder een gevaarlijk smeulend dak blijft staan.

Er komt geen einde aan het inferno. Nog dagen na het bombardement laaien er in de dierentuin vlammen op. En dat wordt ook Tom fataal. De jonge leeuw stikt en verbrandt in zijn noodhok. Samen met buddy Black. ´Tuurlijk doet dat je iets´, zegt Janus achteraf. ´Maar ja, je was niet de enige met leed, dat geeft je nog iets van berusting.´

Over de puinhopen in de stad scharrelen intussen harige vluchtelingen. Op de Coolsingel lopen damherten. In de Coolsestraat worden zebra´s gespot. En tussen de verbrande wagons van het spoorwegemplacement staan twee ontredderde bizons.

Ook de schrijvende chimpansee Josephine is ontsnapt uit haar kapotte hok. Ergens tussen de Coolsingel en het Oostplein komt Janus haar tegen. Josephine wordt op de bagagedrager van een fiets gezet en overgebracht naar het lege café van Karel van Duyn, pal tegenover de diergaarde. Daar raakt de chimpansee zo in paniek dat ze wild om zich heen slaat. Er sneuvelen glazen. Maar dat niet alleen. Jospehine mept ook een van de kapucijnaapjes dood, die door de oppassers naar het café zijn gebracht. Om haar te kalmeren wordt Jospehine opgesloten in het toilet. Andere apen gaan de bierkelder in. Of een telefooncel. Als Karel van Duyn na een tijdje poolshoogte komt nemen in zijn café, schrikt hij zich letterlijk het apelazarus.

Het huis van Janus is door het bombardement compleet weggevaagd. Hij heeft niets meer. En hij is niet de enige. Zo´n 80.000 mensen zijn dakloos geworden. Maar godzijdank: zijn vrouw leeft nog. Ze blijkt al voor het bombardement naar de Rotte te zijn gevlucht.

NSB
Met de dieren, die de Duitse aanval ook hebben overleefd, verhuist de oppasser in de loop van 1940 gewoon naar de wijk Blijdorp. De bizons gaan als eerste. Met de schroeiplekken van de 14de mei nog in hun vacht. Ook de krokodillen Hakuna en Matata worden in een transporthok geperst en steken over.

Twee maanden na het bombardement en de branden gaat een deel van de nieuwe diergaarde alweer open. Begin december is de hele tuin toegankelijk voor publiek.

Op de nieuwe locatie zijn Hakuna en Matata in 1941 stilzwijgend getuige van de inauguratie van de NSB´er Frederik Müller tot burgemeester van Rotterdam. De ceremonie vindt plaats in de stampvolle Rivièrahal, onder luid applaus van honderden nationaal-socialisten. Müller volgt burgemeester Oud op, die zelf zijn ontslag heeft ingediend.

Omdat hun verblijf grenst aan de hal hebben de reptielen later ook last van een ander ´fout feestje´: de bonte avond van Frontzorg, de organisatie voor ondersteuning van Nederlanders die meevechten met de Duitsers.

De Rivièrahal is in de oorlog sowieso een gewilde plek voor grote bijeenkomsten. Want door het bombardement staat in Rotterdam praktisch geen grote, overdekte hal meer overeind. Het torentje van de hal biedt tijdens de bezetting ook onderdak aan zijn eigen ontwerper: architect Van Ravesteyn. Zijn oude kantoor in het centrum van de stad is op 14 mei compleet verwoest.

Voor joden verboden
Het mag dan oorlog zijn; aan bezoekers heeft de dierentuin geen gebrek. Bioscopen, musea en theaters liggen in de as. Maar er blijft behoefte aan vertier. In 1941 kopen bijna 600.000 mensen een kaartje, in 1942 zijn dat er meer dan 700.000 en in 1943 passeren 825.000 personen de poort.

Eén bevolkingsgroep is vanaf 1941 niet meer welkom. De Weerbaarheidsafdeling van de NSB wil bordjes bij de ingang met ´Voor Joden verboden.´ Het personeel van Blijdorp haalt de bordjes eerst nog regelmatig weg, maar commercieel directeur Offerhaus verordent de portiers en suppoosten in juli 1941 officieel dat ´wij Joden onder geen beding mogen toelaten. In twijfelgevallen kan worden gevraagd naar het persoonsbewijs waarop bij joden een J vermeld staat.´ Offerhaus blijkt wel sympathie voor de NSB te hebben en wordt na de oorlog ontslagen.

Voor zijn eigen werknemers springt de commercieel directeur tijdens de bezetting wél in de bres. Als bij een razzia voor de Arbeitzeinsatz dertig ´Blijdorpers´ worden opgepakt, weet Offerhaus de mannen vrij te krijgen. Ze mogen onderduiken op de hooizolder boven de zebrastal.

Ook voor Rotterdammers, die aan de tewerkstelling ontsnappen door ter hoogte van de diergaarde uit de trein te springen, is Blijdorp een veilige haven. De vluchtelingen houden zich schuil tussen het riet van een sloot langs het spoor en worden daar ´s avonds door het personeel uit gevist.

Gekmakende rondjes
Zoölogisch directeur Kuiper, die leeuw Tammo met een flesje grootbracht, gooit in de oorlog tijdelijk de handdoek in de ring. Het botert niet tussen hem en Offerhaus. Kuiper heeft het voor die tijd ook al aan de stok gehad met architect Van Ravesteyn. De heren ruziën over de dierverblijven in de nieuwe tuin. Zo vindt Kuiper het zeeleeuwenverblijf een gruwel, omdat de beesten daar ´slechts gekmakende rondjes´ in kunnen zwemmen. Maar de directeur trekt aan het kortste eind.

Juist het bassin van de zeeleeuwen is in 1943 onbedoeld doelwit van - alweer - een bombardement op de dierentuin. Dit keer komen de bommen niet uit Duitse vliegtuigen, maar uit Amerikaanse. Het zijn verdwaalde projectielen. Niet bestemd om dieren uit te schakelen, maar de spoorbaan en een scheepswerf die in handen is van de Duitsers. Door slecht zicht en de harde wind missen veel bommen doel. Vierhonderd Rotterdammers komen om bij dit ´vergeten bombardement.´

In Blijdorp gaat het onderkomen van de zeeleeuwen eraan. Het bassin, waar Kuiper zo´n hekel aan had, wordt nooit meer in z´n oorspronkelijke vorm herbouwd. Zeeleeuw Bianka sterft. Net als de eenden en ganzen, die in de vijver rond het verblijf zwemmen.

Oorlogsveteranen
De vogels van Blijdorp zijn hun leven in de hongerwinter van 1944 sowieso al niet meer zeker. Net als de manenschapen en herten worden ze gezien als een welkome afwisseling op het menu van tulpenbollen en bietenpulp, waar veel Rotterdammers toe zijn veroordeeld. ´s Nachts zagen mannen met hongerige magen stukken uit de omheining van de diergaarde en gaan op jacht. Met succes. De diergaarde besluit vier man extra bewaking in te stellen om verdere dierenroof te voorkomen. En dat helpt. Carnivoren die terugkomen om een hert te kidnappen, lopen meteen tegen de lamp.

En de dieren zelf? Die krijgen tot de bevrijding afgekeurde bonen, erwten en havermout in hun voederbakken. En: gestoomde aardappelen. De piepers, die in kuilen rond de stad liggen opgeslagen, stinken volgens bezoekers ´een uur in de wind.´ Maar de veestapel van Blijdorp trekt zich van de geur niks aan en zet de tanden erin. Tussen ´40 en ´45 verdubbelt het aantal dieren.

Wat Hakuna en Matata in de oorlog te eten krijgen? Daarover staat niets officieel vermeld. Afgekeurd vlees uit vrieshuizen waarschijnlijk. Want dat had de dierentuin, toen de oorlog alleen nog maar dreigde, massaal ingekocht.

De krokodillen overleven alles: de verhuizing, de branden en de bombardementen. In Blijdorp zijn ze op een gegeven moment de allerlaatste oorlogsveteranen.

Pas in 2014 overlijdt Matata, op een geschatte leeftijd van 100 jaar. Ze gaat naar de bodem van haar bassin en komt niet meer boven. Zeven maanden later blaast ook Hakuna de laatste adem uit. Vredig.

Voor dit verhaal zijn de volgende bronnen gebruikt:
Joukje Akveld – Een aap op de wc
Frits Baarda – Rotterdam, 14 mei 1940
Diergaarde Blijdorp – Iets grootsch en buitengewoons, 150 jaar Rotterdamse Diergaarde
Aad Wagenaar – Rotterdam, mei 1940

Foto 1: Janus en Tammo (Collectie Truus Einterswijk, foto Hijmans)

Foto 2: Ritje op een olifant in de oude dierentuin (Bliijdorp)

Foto 3: NSB-bijeenkomst in de Rivierahal (Stadsarchief)

Deel dit artikel: