Vergeten Verhalen: Goose van der Voo

Hij had ideeën die in zijn eigen tijd nogal opzienbarend waren: Goose Wijnand van der Voo (1806-1902). De Rotterdammer werd bekend als socialist toen er in Nederland nauwelijks socialisten waren, hij was voor algemeen kiesrecht en pleitbezorger van geheelonthouding toen niemand daarvan wilde horen.

Van der Voo was de zoon van een Rotterdamse molenaarsknecht. In 1823 ging hij als hulponderwijzer naar Brussel. Een paar jaar later trouwde hij daar, maar in 1930 met de Belgische Opstadnd moest hij terug naar Rotterdam. Hij probeerde hier zijn geld te verdienen als leraar Frans.

Hij was ook actief als publicist. Zo begon hij in 1868 een tweewekelijks tijdschrift, De Rotterdamsche Lantaren. Later schreef hij ook voor het blad Oost en West. In het Stadsarchief Rotterdam zijn vrijwel alle nummers van De Rotterdamsche Lantaren te vinden, net als exemplaren van Oost en West. Anne Jongstra van het archief heeft zich in Goose Wijnand van der Loo verdiept.

Saint-Simonisme

"Van der Voo was een aanhanger van het Saint-Simonisme, een uit Frankrijk overgewaaide vorm van utopisch socialisme. Saint-Simonisten beschouwden het menselijk verstand als de bron van alle wijsheid en geluk. Zij vonden dat ingenieurs en industriëlen het voor het zeggen moesten krijgen, in plaats van politici of filosofen. Dan zou er vanzelf een perfecte samenleving ontstaan", aldus Jongstra.

Bijzonder aan Van der Voo is dat hij het Saint-Simonisme wilde combineren met democratie. Jongstra: "Hij vond het onrechtvaardig dat de plek waar je wiegje staat, bepaalt hoe je terecht komt. In zijn tijd moest je rijk zijn om kennis en vaardigheden te ontwikkelen om hogerop te komen. Dat moest veranderen en dat kon alleen als gewone mensen meer invloed kregen op het landsbestuur". In zijn geschriften probeerde hij zijn ideeën aan de man te brengen. In de jaren 30 van de negentiende eeuw vertaalde hij Franse verhandelingen over het Saint-Simonisme.

Afschaffingsgenootschap

Hij beperkte zich niet tot schrijven. In 1838 richtte hij met drie vrienden het Rotterdamsch Afschaffings-Genootschap op. Dat had tot doel de sterkedrank uit te bannen. Drankmisbruik was een van de dingen die een betere samenleving in de weg stond, dus moest daar een eind aan komen, zo vonden zij.

Door de buitenwacht werd het genootschap gezien als een stelletje radicalen. "Dat kwam vooral door Van der Voo zelf", weet Anne Jongstra, "die had bijvoorbeeld bedongen dat mannen en vrouwen een gelijkwaardige positie hadden in de vereniging. In die tijd was dat ongehoord."

Algemeen stemrecht

In 1868 begon Van der Voo het tijdschrift De Rotterdamsche Lantaren. Daarin pleitte hij voor de invoering van algemeen stemrecht. Dat leidde ertoe dat een paar maanden later de Vereeniging Het Algemeen Stemregt werd opgericht, die van der Voo’s tijdschrift als verenigingsorgaan ging gebruiken. Vertegenwoordigers van de vereniging deden mee aan de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar, maar slaagden er niet in voldoende stemmen te behalen. Van der Voo zelf kreeg er negentien.

Jongstra: "In die tijd wilde nog niemand horen over algemeen kiesrecht. Democratie was toen nog een vies woord. Zeker volgens mensen uit hogere kringen zou algemeen stemrecht onherroepelijk leiden tot dictatuur".

Tragisch

Tien jaar later begon dat te langzaam veranderen. Binnen de arbeidersbeweging begonnen ze zich rond 1880 sterk te maken voor de invoering van algemeen stemrecht. Dat werd toen als iets nieuws gezien. Dat Van der Voo rond 1870 al zoiets op poten had gezet, was iedereen alweer vergeten. "Dat zat hem helemaal niet lekker, daarom begon hij in het tijdschrift Oost en West zijn artikelen over algemeen kiesrecht te recyclen. Erg veel effect heeft het niet gehad. Dat maakt hem wel een beetje tot een tragisch figuur", aldus Jongstra.

Van der Voo is altijd een voorstander geweest van geleidelijke hervormingen. Van revolutionair gepraat moest hij weinig hebben. ‘Geen revolutie, maar evolutie!’schreef hij in 1888 aan socialistenleider Domela Nieuwenhuis. "Misschien was hij gewoon te gematigd", zegt Jongstra.

Het ging volgens Van der Voo om ‘de ontwikkelden [te] overtuigen dat alle maatschappelijke instellingen zich ten doel moeten stellen de spoedigst mogelijke, maar trapsgewijze verbetering van den zedelijken, verstandelijken en stoffelijken toestand der talrijkste en armste bevolking.'

Meer over dit onderwerp:
madm vergetenverhalen
Deel dit artikel: