Hoe een visitekaartje van een stoffenhandel symbool staat voor de vele weggevoerde joodse Rotterdammers

Het is een zonnige zomerdag in juli 2014. Een Rotterdamse bewoner van de Bergselaan 176A is bezig met de verbouwing van zijn huis. Tijdens het werk aan de vloer stuit hij op een oud uitziend visitekaartje op naam van Manufacturenhandel M. Spetter. Bij een volgende verhuizing, 5 jaar later, wanneer het kaartje weer opduikt uit een verhuisdoos, zoekt hij alsnog op hoe het onder de vloer terecht is gekomen. De kleine vondst leidt naar het verhaal van een Rotterdams joods gezin dat werd vermoord in 1943. Het is een herinnering aan de tijd dat alle joodse Rotterdammers in de Tweede Wereldoorlog moesten vrezen voor hun leven.

“Ik heb een kaartje op naam van de heer Spetter gevonden en zag online dat hij met zijn gezin ooit het huis heeft bewoond. Mocht je interesse hebben, dan kan ik het naar je opsturen”, schrijft de toenmalige bewoner in 2019 aan mijn tante op LinkedIn.

“Mijn oom heeft daar gewoond! Natuurlijk wil ik het heel graag hebben. Dit is van grote emotionele waarde. We hebben heel weinig van de familie van mijn vader”, reageert ze uitgelaten.

Vondst visitekaartje

De vondst van een visitekaartje leidt naar het oorlogsverhaal van mijn familie. Laten we beginnen bij het begin. Mijn naam is Elise Spetter (25). Mijn vader, Meijer Albert Spetter (76), is joods en werd in 1944 op de wereld gezet. Een wereld waarin mijn familie moest vrezen voor hun leven.

Mijn vader werd geboren op het onderduikadres waar zijn ouders, grootouders en oom zich schuilhielden voor de nazi's. Met succes, want zij overleefden allen de oorlog, dankzij de moed van de familie Plomp uit Nijverdal die hen onderdak verleende. Maar honderden Spetters en vele andere directe familieleden van mijn opa, overleefden het niet en werden vermoord in Sobibór en Auschwitz.

Familiegeschiedenis

Een van hen is de broer van mijn opa, Joseph Spetter: de man van wie het visitekaartje is gevonden in het huis op de Bergselaan. Hij woonde daar met zijn vrouw en drie jonge kinderen en werkte in de manufacturenhandel M. Spetter, ziedaar de link met het kaartje.

De Bergselaan 176A, foto genomen vlak voor de oorlog (precieze datum onbekend) | Foto: Fotoarchief familie Spetter

De groothandel in stoffen was een succesvol Rotterdams bedrijf in die tijd. Deze bevond zich van 1920 tot 1926 op de Gedempte Binnenrotte en van 1926 tot aan de sluiting in 1952 op het Zwaanshals 224. Joseph werd vanaf 1934, samen met zijn broers en zussen, eigenaar toen mijn overgrootvader (de oprichter) overleed.

Manufacturen Spetter, Gedempte Binnenrotte 146a, rond 1925 | Foto: Fotoarchief familie Spetter

Vanaf oktober 1940 kwam een zogeheten Verwalter in alle joodse bedrijven, zo ook in de stoffengroothandel. Dat is een door de nazi’s aangewezen zaakwaarnemer die zich mengde in het reilen en zeilen van bedrijven met joodse eigenaren. Hij keurde onder meer de transacties goed die het bedrijf uitvoerde. Na de deportatie van de joodse eigenaren werd hun onderneming in beslag genomen, opgeheven of verkocht.

Joseph en zijn gezin wonen tot 1943 aan de Bergselaan. Het moment dat ze werden opgeroepen om zich te melden bij Loods 24, ook wel het voorportaal voor Westerbork genoemd. Het was de plek waar Joden werden 'verzameld' en opgesloten tot de trein vertrok.

Loods 24: De oproep voor het eerste ‘jodentransport’ vond eind juli 1942 plaats. Toen ontvingen ruim 2.000 Rotterdamse joden een oproep waarin stond dat ze op 30 juli 1942 om 18:00 uur in Loods 24 in Rotterdam aanwezig moesten zijn voor deelname aan ‘werkverruiming’ in Duitsland. Het eerste transport met 1.100 mensen vertrok in de nacht van 30 op 31 juli 1942. De bezetter kon de verzamelplek van Loods 24 beter geheim houden dan in Amsterdam, want de loods lag op een afgesloten haventerrein achter een twee meter hoge muur. De plek was gelegen aan de Stieltjesstraat, de plek waar nu het Joodse Kindermonument staat dat de kinderen herdenkt die vanaf deze plek zijn gedeporteerd. Tot 10 april 1943 werd Loods 24 gebruikt als verzamelpunt voor Rotterdamse joden. In totaal werden tussen 30 juli 1942 en 22 april 1943 6.790 mensen gedeporteerd via Loods 24. Bron: Joods erfgoed Rotterdam

Eenmaal aangekomen in Westerbork, werd het gezin op de trein gezet richting het vernietigingskamp Sobibór in Polen. Ze bevonden zich in het ‘transport 8’ op 20 april 1943, blijkt uit de administratie van de Joodse Raad. In die trein zaten in totaal 1.166 personen, van wie niemand het overleefde, blijkt uit gegevens van Stichting Sobibór.

Joseph, zijn vrouw en drie jonge kinderen werden op 23 april 1943 vermoord in de gaskamers van Sobibór.

Meijer (Meip) Elizabeth (Elly) Salomon (Sally) Spetter, resp. 13, 6 en 11 jaar oud toen zij werden vermoord in Sobibór. | Foto: Fotoarchief familie Spetter

Onderduikadres in Nijverdal

Terug naar mijn opa en oma, Isidore Spetter en Rebecca van der Sluijs. Een jaar eerder dan Joseph, op 30 juli 1942 (de verjaardag van mijn oma) werden zij opgeroepen zich te melden bij Loods 24. Zij waren op dat moment 24 en 25 jaar. In tegenstelling tot Joseph, gaven zij geen gehoor aan deze oproep. Op het laatste moment kregen ze een onderduikadres van een vriend van mijn opa die in het verzet zat. Mijn oma vroeg of haar ‘broertje’ (die overigens 4 jaar ouder was) mee mocht. Dat werd gelukkig positief beantwoord.

In afwachting van valse persoonsbewijzen werd mijn opa opgenomen in het joodse ziekenhuis. De (valse) reden was een blindedarmontsteking. Om tijd te rekken werd in het ziekenhuis geregistreerd dat hij mogelijk geelzucht had. Dit was mogelijk omdat mijn opa van nature een gelige huidskleur had. Mijn oma werkte in het ziekenhuis, zogenaamd als verpleegster.

Het duurde niet lang voordat ze vertrokken naar het onderduikadres in Nijverdal. Het kon ook niet lang duren, want zij liepen continu de kans te worden opgepakt en alsnog op transport te worden gezet naar één van de vernietigingskampen.

In totaal kwamen in 1943 negentien treinen vanuit Westerbork in Sobibór aan. Ruim 34.000 mannen, vrouwen en kinderen maakten uit Nederland de gedwongen reis naar het vernietigingskamp Sobibór. Van al die transporten overleefden slechts vijftien vrouwen en drie mannen de oorlog. Bron: Stichting Sobibór

Mijn opa en oma woonden tijdelijk bij een eerste gezin. Dat had echter een kind met het syndroom van Down en aan dit kind kon moeilijk worden uitgelegd dat niemand mocht weten dat er vreemde mensen in huis woonden. Dus moest een andere plek worden gevonden. Dat werd de familie Plomp in Nijverdal. Een gezin met, op dat moment, twee kinderen.

Spannende momenten

In deze periode zijn mijn opa en oma niet ontdekt of verraden, al was het op sommige momenten wel spannend. Bijvoorbeeld toen de nazi’s eind 1944 binnenkwamen voor een huiszoeking. Ze waren op zoek naar woonruimte voor officieren. Mijn vader lag beneden in de wieg, mijn opa en oma hielden zich muisstil op de zolderkamer. Het was dat mijn vader heel blond haar had in zijn babytijd, waardoor het aannemelijk was dat het ging om een kind van het echtpaar. Anders had dit heel anders kunnen aflopen.

Maar de ‘onderduiktijd’, zoals mijn oma dat noemde, kende ook leuke momenten. Zo verbouwde zij samen met de vrouw des huizes, tabak in de vensterbank. De bladeren werden gedroogd en ze rolden er shaggies van. Over de kwaliteit van de tabak kon ze kort zijn, die was verschrikkelijk! Maar lol van het maken hadden ze.

Omdat de verveling vaak toesloeg had mijn opa van karton letters gemaakt, à la Scrabble. Hij gaf mijn oma dan de letters van een woord en zij moest dan puzzelen welk woord het was. Ook dat zorgde vaak voor blije gezichten.

"Sind sie Jude?"

Helaas werd de man des huizes, Dirk Plomp, en de broer van mijn oma opgepakt toen ze 's avonds melk gingen halen bij de boer in de buurt. Dat was de enige mogelijkheid om een keertje buiten te zijn, mijn opa ging ook wel eens mee. Deze keer kwamen ze een Duitse patrouille tegen die vroeg naar hun persoonsbewijzen. Het was vrij snel duidelijk dat het ging om een lokale man en een onderduiker, onder andere omdat mijn oma’s broer, die violist was, een vals persoonsbewijs had met daarop als beroep ‘grondwerker’. Een blik op zijn handen was voldoende voor de vraag "Sind sie Jude?". Hij hoefde niet te antwoorden, zijn lijkbleke kleur van het al twee jaar niet buiten komen en uiteraard van schrik, was voldoende.

Dirk Plomp werd gearresteerd en naar een Duits werkkamp gedeporteerd. Hij kwam in februari 1945 lopend terug. De broer van mijn oma werd afgevoerd naar Westerbork. Hij overleefde de oorlog doordat de spoorlijnen door de geallieerden werden gebombardeerd en er minder transporten naar de vernietigingskampen gingen. Hij heeft veel geluk gehad.

Na de oorlog

Toen de oorlog voorbij was, moest mijn opa zich noodgedwongen ontfermen over het bedrijf nadat zijn hele familie was vermoord in de concentratiekampen. Zijn moeder, een zus, twee broers, vele achterneven en nichten, tantes, ooms: er was niemand over. Mijn opa heeft een aantal jaren de zaak gerund, totdat hij in 1952 stopte.

En dus verdween de stoffengroothandel een aantal jaren na de oorlog uit het Rotterdamse straatbeeld, maar niet uit de geschiedenis. Want het visitekaartje van de manufacturenhandel bleef achter, op het adres waarvan Joseph met zijn gezin vertrok, zijn dood tegemoet, zoals het overgrote deel van alle joodse Rotterdammers.

Isidore en Rebecca Spetter, mijn opa en oma, trouwfoto gemaakt op 18 september 1940 | Foto: Familiearchief familie Spetter

Onverwerkt verdriet

Mijn opa overleed op 5 december 1975, op 57-jarige leeftijd, na een ziekbed van bijna veertien jaar. Zijn onverwerkte verdriet leidde in maart 1962 tot een massieve hersenbloeding. Dit verdriet uitte zich ook in het zich volledig afkeren van het jodendom als religie. Hij verloor zijn geloof, want hij kon niet geloven in een God die de holocaust had laten gebeuren. Mijn oma Rebecca verzorgde hem tot aan zijn dood. En het is dankzij mijn sterke oma dat haar drie kinderen, onder wie mijn vader, een goede jeugd hebben gehad.

Mijn familie heeft vanaf de oorlog zeer regelmatig contact met de familie Plomp. Zo werden ze bij de meeste belangrijke evenementen uitgenodigd, zoals huwelijken en geboorten. Mijn oma bezocht hen minimaal één keer per jaar (meestal in de meidagen) en bracht ze dan altijd iets lekkers. Mijn vader gaat jaarlijks langs bij Rietje, de dochter van het echtpaar Plomp, die hij beschouwt als een soort grote zus.

Onderscheiding voor familie Plomp

Het echtpaar Plomp ontving in 2010 postuum de onderscheiding voor 'Rechtvaardige onder de Volkeren' via hun dochter Rietje. Het is een eretitel voor mensen die joden in de oorlog hebben geholpen met onderduiken en overleven. Rietje ontving de medaille namens hen, uit handen van wijlen Eberhard van der Laan, toenmalig burgemeester van Amsterdam.

De reden dat dit postuum gebeurde, is dat het echtpaar niks wilde weten van onderscheidingen. Zij vonden het niet meer dan normaal om mensen die dat nodig hadden onderdak te bieden. Dat zij dit deden met gevaar voor eigen leven, speelde nauwelijks een rol. Dirk Plomp was een vrijdenker, wars van religie. In het dorp Nijverdal dacht men dat hij communist was en keek op hem neer.

Na uitreiking van de onderscheiding vond zijn dochter Rietje het dan ook heel belangrijk dat hierover een artikel werd geschreven in een regionaal dagblad, om zo zijn nagedachtenis te eren en de verkeerde indruk van de mensen uit zijn dorp recht te zetten. Dit artikel is een aantal weken na de uitreiking van de onderscheiding geplaatst, tot grote blijdschap van Rietje.

De familie Plomp vlnr: Dirk, Hans, Rietje, Piet en Jo Plomp. Foto gemaakt omstreeks 1947. Het vierde kind, Mark, werd in 1948 geboren. | Foto: Fotoarchief familie Spetter

Verdriet blijft

Het verdriet van de oorlog blijft. En het gemis van de familieleden die ik had willen kennen, wordt alleen maar groter. Los van hoe lang het geleden is. Vandaag herdenk ik hen, en ik vind het belangrijk dit verhaal te vertellen, opdat wij niet vergeten.

Ik had dit verhaal niet kunnen schrijven zonder de hulp van mijn lieve tante Ellen Niezen-Spetter.

Deel dit artikel: