Jacky van Dam (1938-2021), de man van 'Japie de portier' en 'Hand in hand, kameraden': ‘Ik ben gewoon een geluksvogel geweest’

Hij stond al een tijd niet meer in de schijnwerpers, maar toch: met het overlijden van zanger Jacky van Dam heeft Rotterdam op 15 mei een icoon verloren. Hij was een van de laatsten der Mohikanen van een amusementstijdperk dat achter ons ligt. De tijd waarin veel cafés in de stad een huisorkestje hadden, de tijd waarin zangers en muzikanten van café naar café trokken om na een paar liedjes met de pet rond te gaan, en de tijd waarin grammofoonplaatjes nog wat betekenden.

Jacky van Dam - echte naam: Jaap Plugers - brak in 1960 door met de door Jaap Valkhoff geschreven meezinger Japie de portier. Twee jaar later zong hij de oerversie in van het clublied van Feyenoord dat nog steeds wordt gezongen: Hand in hand, kameraden.

Al sinds begin 2020 was duidelijk dat Jaap Plugers bezig was aan zijn laatste meters. Er was longkanker bij hem geconstateerd en hij had ervoor gekozen die niet te laten behandelen. Hij had liever nog een tijdje wat kwaliteit van leven dan het getob van de bijwerkingen en gevaren van een operatie en bestralingen. Een beslissing helemaal in de geest van de nuchterheid die hem kenmerkte.

Hij was ook niet ongelukkig onder zijn lot. Hij had nu even pech, maar wel aan het eind van een leven dat wat hem betreft zeer rijk gevuld was. Hij was geregeld de goede mensen tegengekomen en hij had de hele wereld gezien. En wie kan dat zeggen op zijn oude dag? Je moet ook een keer tevreden kunnen zijn.

Twee dagen na zijn 83e verjaardag heeft hij zijn laatste adem uitgeblazen in verpleeghuis De Twee Bruggen in Rotterdam-Zuid. De hele laatste nacht heeft zijn vrouw Miep, met wie hij meer dan 55 jaar samen is geweest, aan zijn bed gezeten. Hand in hand. Zo is hij ook gestorven, hand in hand.

Jacky van Dam en zijn vrouw | Foto: Roland Vonk

Japie de Portier

Het verhaal van Jacky’s eerste plaatje is welbeschouwd een van de raadselen van de Rotterdamse amusementsgeschiedenis. Het is eind jaren vijftig, begin jaren zestig, en Jaap Plugers is portier bij de Oase Bar in Rotterdam, de befaamde zaak van de gebroeders Jaap en Arie Valkhoff in de Schilderstraat, het verlengde van de Witte de Withstraat. Portier Jaap houdt van zingen, hij ziet met welk gemak de gebroeders Valkhoff liedjes schrijven en verbouwen, en hij vraagt aan Jaap Valkhoff of die niet eens een liedje vóór en óver hem kan schrijven.

Over hem? Ja, een lied over de portier van een gezellige zaak waar mensen binnenkomen. Jaap Valkhoff, in zijn biografie uit 2010: ‘Ik zei: ja natuurlijk joh, en ging even met pen en papier aan de bar zitten. Nauwelijks een uur later kwam ik met de tekst voor Japie de Portier aanzetten en een dag later met de muziek.’

Ik ben Japie de portier

ik heb zo’n jofel baantje hier

ik zeg telkens keer op keer

dag mevrouw, en dag meneer

hoe vindt u hier bij ons de sfeer?

Er werd een demo van gemaakt, waar ze volgens Plugers een half jaar mee hebben lopen leuren. Niemand zag er iets in. Tot Philips in 1960 enigszins schoorvoetend toehapte. Plugers: ‘Ze zeiden daar: het is niet veel, maar laten we het maar doen.’

Alleen die naam, ‘Jaap Plugers’, daar moesten ze aan sleutelen wilden ze een artiest van hem maken, vonden ze bij Philips. Jaap Plugers werd: Jacky van Dam. Onder die naam staat Plugers op het singletje, een singletje dat het enorm goed heeft gedaan. Jaap: ‘Het werd een hit met meer dan 250 duizend verkochte exemplaren.’

Jaap Plugers had meteen naam gemaakt, als Jacky van Dam. Onder die naam ook zong hij in 1962 Hand in hand, kameraden de hitlijsten in. Jaap: ‘Van dat plaatje zijn er 270.000 verkocht. Ongelofelijk.’

Maar denk even mee. Je heet Jaap, je bent portier, je brengt een plaatje uit waarop je zingt Ik ben Japie de portier en onder welke naam sta je op de hoes? Jacky van Dam. Vreemd, heel vreemd. De wegen van de amusementswereld zijn soms wonderlijk.

Mien wat doe je op de divan?

In de loop der jaren heb ik Jaap geregeld gesproken, ook bij hem thuis, en als ik één adres in mijn bestand van contacten vaak heb moeten veranderen was het wel dat van Jaap en zijn vrouw Miep. Voor mijn gevoel zijn ze een tijd lang om de paar jaar verhuisd. Het ene moment kon ik hen opzoeken in Crooswijk, dan zaten ze weer in Spanje, waar ze zelfs nog een café hebben gehad, dan kon ik op de fiets naar Kralingen, dan waren ze toch weer in Spanje, en een tijdje woonden ze bij mij om de hoek in Rotterdam-Noord en kwam ik Jaap geregeld tegen langs de Bergsingel als we allebei ons hondje uitlieten.

Op zekere dag vertelde hij me al wandelend dat hij voorgoed naar Spanje ging – wat uiteindelijk minder ‘voorgoed’ zou blijken dan het in eerste instantie leek, maar dat konden we toen nog niet weten. Zijn ‘vertrek’ was een mooie aanleiding voor een soort afscheidsinterview. Een afscheidsinterview omlijst door allerlei opnames van hem door de jaren heen. Opnames waarvan ik er genoeg in de kast had en heb staan. Jaap heeft in de loop der jaren heel wat singletjes vol gezongen.

Alleen: bij het beluisteren van die singletjes bleek ik de opgenomen liedjes bijna zonder uitzondering vreselijk te vinden. Wat een draken van nummers. Van de carnavalspogingen Kom er ‘s bij en zet ‘m es op!, Holadi jee, de polonaise! en 1, 2, 3, 4 komt er nog wat van tot het schuine niemendalletje Mien wat doe je op de divan?

Het is iets dat ik vaker meemaak: dat op zich prettige zangers en zangeressen materiaal opnemen dat op z’n best zozo is, en soms ronduit treurigstemmend. Daar kun je in een gesprek met de betreffende artiest omheen praten. Als het zelfgeschreven nummers betreft probeer ik dat soms ook maar te doen. Als je je al te confronterend opstelt kan de conversatie weleens doodslaan. Maar bij Jacky, die ik als mens en zanger echt zeer waardeerde, kon ik er niet omheen. Ik moest vragen hoe het zover had kunnen komen.

Platen van Jacky van Dam | Foto: Roland Vonk

Onrechtvaardigheid

Voor wat betreft zijn plaatjes op het Fontana-label van Phonogram had Jaap een goed excuus. Hij stond onder contract bij Phonogram en die maatschappij had zich verplicht om vier plaatkantjes per jaar met hem op te nemen en uit te brengen. Maar wat Jaap kreeg toegeschoven was niet altijd verheffend. Oude nummers, carnavalsachtige deunen, niet echt materiaal om nu met vreugde op terug te kijken. Jaap: ‘Zo’n nummer als Maar een klein endje verder was weer een café, ja, daar hoef je geen zanger voor te zijn om dat te zingen.’

De carrière van Jaap Plugers doet daarmee een beetje denken aan wat de Amerikaanse regisseur Orson Welles ooit heeft gezegd over zijn succes in de wereld van radio en film: ‘I started at the top, and worked my way down.’ Jaap: ‘Japie de portier en Hand in hand, kameraden waren een groot succes. Daarna hebben we diverse dingen geprobeerd – wéér een plaat en wéér een plaat en weer zo’n ding – maar het lukte allemaal niet.

Misschien was ik niet goed genoeg, het werd in elk geval niet verkocht, het kostte alleen maar geld.’ Jaap voelde zich ook niet met respect behandeld door de platenmaatschappij: ‘Ik wil natuurlijk niet zeggen dat ik zo’n grote zanger ben of dat ik zo’n groot artiest ben, maar het is niet van zing maar effe een plaatje vol, dan hebben wij voldaan aan onze contractuele verplichting. Zo werkt het niet. Ik houd niet van onrechtvaardigheid.’

Na verloop van tijd wilde Jaap van zijn contract met Phonogram af. Maar dat ging zomaar niet. Phonogram hield hem eraan. O ja? Toen is Jaap, een Rotterdamse volksjongen wiens vader een zekere naam had als vechtersbaas, naar Amsterdam gereden, naar het nieuwe kantoor van Phonogram, en heeft daar stampij gemaakt. ‘Dan maar het recht van de sterkste. Ik geef er net zo makkelijk een paar een stomp voor d’r kanis. Dat interesseert me natuurlijk geen ene reet op dat moment.’

Jaap heeft Phonogram-baas Jan Corduwener junior nog net niet over diens bureau getrokken als ik het goed heb begrepen, maar de boodschap was duidelijk. ‘Ik was per direct van mijn contract af. Toen had ik de vrije hand en kon ik naar Johnny Hoes toe.’

Jacky van Dam | Foto: Roland Vonk

Ode aan de baggeraars

Voor het Telstar-label van Johnny Hoes heeft Jaap vanaf 1965 inderdaad ook weer een hele serie singles gemaakt, maar eerlijk gezegd vind ik die gemiddeld niet van een wezenlijk hoger plan dan zijn verrichtingen bij Phonogram. In elk geval één singletje op dat Telstar-label is wel een opmerkelijke: Ode aan de baggeraars. Een plaatje uit 1982, mede geschreven door Jaap zelf. Een plaatje met een geschiedenis.

Na de Oase bar heeft Jaap in de jaren zestig een tijd in café Walhalla gestaan op Katendrecht met een trio. Met accordeonist Cor Coenen en saxofonist Toon Vermeer. Twee deuren verder in de Michiel Bar zong en speelde Kees Korbijn. En toen de van oudsher gemoedelijke sfeer op Katendrecht begin jaren zeventig begon om te slaan, hebben deze vier muzikanten de krachten gebundeld en hebben ze hun vleugels verder uitgeslagen als ’t Asoosjale Orkest.

Jaap heeft ook nog een tijd in Duitsland opgetreden. Maar uiteindelijk ging het toch minder in het amusement en heeft Jaap Plugers, zoals zo veel artiesten, de bakens verzet en is hij een baan gaan zoeken in de ‘burgermaatschappij’. Halverwege de jaren zeventig is hij gaan werken bij baggerbedrijf Van Oord-Utrecht dat net begon aan internationale klussen. Heeft-ie dertien jaar gedaan, begonnen als kok, geëindigd als ‘stortbaas’, over de hele wereld gezeten. ‘Een heerlijke tijd,’ vatte Jaap deze periode samen. En inspiratie dus voor een lied, een ode.

Tijdens ons ‘afscheidsinterview’ zag ik opeens een verband. ’Dus eigenlijk,’ zo zei ik, ‘heb je je hele leven in de bagger gezeten.’ Hij kon er gelukkig zelf om lachen.

Jacky van Dam | Foto: Roland Vonk

Geluksvogel

En nu is het dan echt afgelopen. Lichamelijk was er al een tijdje niet veel meer over van de sterke portier van de Oase bar die Jaap ooit was, nu is ook het kaarsje van zijn opgewekte, sterke persoonlijkheid uitgegaan.

Bij zijn definitieve afscheid klinken de woorden na die hij in de zomer van 2020 voor mijn microfoon sprak toen ik hem opzocht in Humanitas Akropolis. Hij keek met dankbaarheid terug op zijn leven: ’Ik heb zo veel meegemaakt. Als ik mijn leven vergelijk met de mensen waar ik nu tussen zit: die mensen hebben niks van de wereld gezien. Ik ben in de gelegenheid geweest om overal te kijken. Altijd werk gehad ook. Altijd mijn brood kunnen verdienen. Vanaf mijn zestiende. Dan ging ik naar de haven, ik ging zelfs classificeren.’

Hij genoot van de aandacht die hij nog steeds kreeg. Van mij met mijn radiomicrofoon, en later van de bescheiden Feyenoord-hulde die hem in januari van dit jaar op de valreep nog werd gebracht. Dat hij onderdeel was van een uitstervende amusementsgeneratie vervulde hem ook niet met droefenis: ‘Nee, die hebben allemaal de kans gehad wat van hun leven te maken. Het was een onvergetelijke tijd, maar op een gegeven moment houdt het op natuurlijk. Het is niet anders. Ik ben blij dat ik in Rotterdam ben geboren en dat ik dit allemaal heb mogen meemaken. Ik ben gewoon een geluksvogel geweest. Als ik het over mocht doen, zou ik het precies hetzelfde doen.’

Komende zaterdag is de uitvaart van Jaap Plugers, alias Jacky van Dam.

Meer over dit onderwerp:
NIEUWS RADIO
Deel dit artikel: