Kees Veldboer: de man die zich door niemand liet tegenhouden en het laatste (en vaak grootste) stukje geluk bracht in mensenlevens

Zestienduizend wensritten van terminale patiënten, 270 vrijwilligers, zeven eigen ambulances, de BBC die hem uitroept tot meest inspirerende persoon ter wereld: deze week overleed Kees Veldboer en hij zal een groot gat nalaten. Wie was de man die in zijn leven zoveel betekende voor anderen?

Door: Rob Krabben

De krantenjongen die géén miljonair werd. Die geen miljonair wílde worden. Kees Veldboer, de maandag plotseling overleden oprichter van de Stichting Ambulance Wens (SAW) was niet geïnteresseerd in geld. Althans niet in geld voor zichzelf. Al heel vroeg in zijn leven voelde hij dat er veel belangrijker dingen waren in het leven: goed doen en mensen verzorgen.

Het duurde een flink aantal jaren voor hij langs zijn kronkelige levenspad op het punt kwam dat hij echt zijn innerlijke drang kon volgen, maar vanaf dat moment ging het hard.

Een held

Veldboer richtte in 2006 zijn stichting op en zou zich daarmee een unieke positie verwerven in zorgstaat Nederland. Bijna vijftien jaar later leidde hij een organisatie die met 270 vrijwilligers en zeven eigen ambulances onlangs de zestienduizendste wensrit uitvoerde. Zestienduizend terminaal zieken die hun bed niet meer uitkomen werden door de club van Kees een dag uit hun narigheid gehaald.

Nog één keer naar het strand of bos, afscheid nemen van het eigen huis of van een huisdier, een laatste bezoek aan vrienden of familie, voor de laatste keer naar het graf van een dierbare of toch nog gebracht worden naar de plek waar je veel liever zou sterven dan in het ziekenhuis of het hospice: zestienduizend ernstig zieken beleefden de dag of dagen dat ze met de wensambulance op weg waren vaak als een enorme opkikker. Ze noemden het vaak zelfs het hoogtepunt in hun leven. Kees Veldboer was voor hen een held.

Groot effect

Maar het effect van zijn werk was veel groter. Want al die zieken die met de wagens van Kees werden vervoerd hadden familieleden die ervoeren hoe waardevol het werk was van de SAW. Vaak gaven ze aan dat het verlies van hun dierbare makkelijker te verwerken was door het besef dat ze in hun stervensfase nog zulke mooie momenten beleefden. Dus in feite hielp de SAW geen zestienduizend mensen, maar tienduizenden meer. Geheel naar de ideeën van Kees rijden inmiddels in nog eens vijftien landen wensambulances rond.

Een ambulancewens die werd vervuld | Foto: Rijnmond

Veldboer zelf besefte heel goed dat de SAW belangrijk werk deed. De credits gaf hij echter vooral aan de vrijwilligers. Het was zíjn idee geweest, maar al die verpleegkundigen en chauffeurs deden het écht belangrijke werk, benadrukte hij keer op keer.

Stichting Ambulance Wens op pad met één van de patiënten | Foto: Rijnmond

Wie was Kees?

Maar wie was Kees Veldboer eigenlijk? Het begon in het Franciscus Gasthuis in Rotterdam waar Kees op 28 oktober 1959 werd geboren als het eerste kind van vader Kees en moeder Cor. Een echtpaar dat in de Schiedamse Burgemeester Honnerlagegretelaan woonde en dat steeds na twee jaar het gezin uitbreidde met een nieuwgeborene, tot ze drie kinderen hadden: twee jongens en een meisje. Het was een echt jaren zestig gezin.

Met een hardwerkende vader die thuis de baas was en een moeder die het huishouden bestierde. Maar het was ook een gezin met een probleem dat zich steeds duidelijker zou manifesteren: de oudste zoon en zijn ouders verstonden elkaar niet zo goed. De misverstanden regenenden zich aaneen. Pas recent zag Kees in dat zijn ouders wel van hem hielden en wel trots op hem waren. Maar voorheen had hij altijd het idee het in de ogen van zijn ouders nooit goed te kunnen doen.

Geen ster op school

En er was zeker ook het een en ander aan te merken op de zoon van vader Kees en moeder Cor. Zijn schoolprestaties waren allesbehalve indrukwekkend. Op de Mgr. Bekkersschool in Groenoord bleek Kees geen ster en al helemaal niet gemotiveerd. Hij ging voorwaardelijk over van klas twee naar drie en werd een semester later weer teruggezet. Vader Kees, die zelf in het onderwijs zat, greep in en haalde zijn zoon van school en bracht hem naar de Jacobusschool in Kethel.

Kees voelde dat als een soort straf en begreep het niet, maar in Kethel wisten de docenten hem te raken en te motiveren. Kees werkte zich een slag in de rondte, haalde de achterstand in en kwam ook beter in zijn vel te zitten doordat hij snel vriendjes maakte op de nieuwe school.

Opvallende verschijning

Dat was niet vanzelfsprekend, want Kees was als jochie al een opvallende verschijning. Hij was lang voor zijn leeftijd (hij zou uiteindelijk 2.05 meter worden) en had bovendien een bos vuurrood haar. Veel meer was er niet nodig om op straat hard te worden aangepakt: Kees werd veel gepest. Zelf zei hij daarover: ‘Ik kwam vaak huilend thuis. Ik ging ook niet vechten als ik werd gepest. Ik liep altijd weg’.

Maar in Kethel vond Kees dus z’n draai. Wat ook hielp, was dat hij sportief was en als voetballer op straat respect afdwong. In de buurt (het gezin was inmiddels verhuisd naar de Valeriusstraat in Schiedam) werd zelfs vaak gedacht dat voor hem een carrière als betaald voetballer in het verschiet lag.

Het zou anders lopen, want Kees was een stijfkop. Dus toen hij bij zijn club Excelsior’20 de overgang maakte van C- naar B-jeugd en de indruk kreeg dat bij de teamindeling vriendjespolitiek een rol speelde, was het meteen gebeurd met zijn voetballoopbaan. Hij had het gevoel dat hem onrecht werd aangedaan. ‘En dan ben ik weg’, zei hij daarover. Een nieuwe sport was zo gevonden, want basketbal vond lange Kees ook geweldig.

Opnieuw problemen

Maar eerst zijn onderwijs: na de lagere school begonnen de problemen namelijk opnieuw. Kees had een LTS/Mavo-advies meegekregen, maar zijn vader –zelf leraar aan de bedrijfsschool van Wilton Fijenoord- stuurde hem naar de Jozefmavo in Vlaardingen, waar het niveau dat van de havo aantipte. Dat moest Kees volgens zijn vader aankunnen.

Dat lukte voor geen meter en volgens Kees was dat ‘dus’ de schuld van zijn vader, maar zijn zus Jeannette nuanceert dat: ‘Kees was een echt buitenkind. Altijd maar buitenspelen: voetballen, basketballen. Z’n huiswerk deed-ie nooit. Dus het moest wel misgaan op school.’ Kees werd door zijn vader aangemeld bij de LTS, ondanks de bezwaren van diens zoon die zei ‘ik heb twee linkerhanden’. Zus Jeannette: ‘Maar m’n vader besefte wel dat Kees iets met z’n handen moest gaan doen, want een hele dag op een stoel zitten zou toch niet lukken’.

Strenge christelijke school

Kees moest dus naar de christelijke LTS in Schiedam. Een strenge school, door Kees en veel andere leerlingen Colditz genoemd (naar een Duits krijgsgevangenenkamp uit de Tweede Wereldoorlog). Daar maakte hij met veel tegenzin de opleiding elektrotechniek af. Kees wilde alleen sportleraar worden, maar werd met alleen een LTS-diploma niet toegelaten. Zijn vader schreef Kees in voor een leer- en werkopleiding bij Verolme Elektro.

Hij besloot er maar het beste van te maken. In minder dan geen tijd kreeg hij op zijn werk de taak nieuwkomers onder zijn vleugels te nemen en op te leiden. Maar toen hij bij de directie vroeg om die extra taken te vertalen in extra loon, werd hij weggehoond. Onrecht vond Kees. En dus besloot hij gewoon op te stappen, wat uiteraard niet goed viel bij zijn vader.

Waren vader en zoon echt water en vuur? In de praktijk vaak wel. Toch zei Kees over het gezinshoofd: ‘Hij was een man met een hart van goud. Een harde werker. Hij stond altijd klaar voor anderen. Hij vond het de normaalste zaak dat je bijsprong als hij iemand kon helpen, maar hij was ook ouderwets. Hij was de baas in huis; hij bepaalde alles.’

Volgens zus Jeannette viel dat wel mee. Het echte probleem was dat haar vader niet communiceerde met Kees. Ze stelt vast dat vader en zoon hetzelfde karakter hadden: allebei een gouden hart; klaar om iedereen te helpen. Maar je moet ze wel hun gang laten gaan. Een analyse die in het geval van Kees volledig correct is gebleken.

Miskend gevoeld

Er moet nog een voorval worden genoemd, om te begrijpen waarom Kees zich miskend voelde door zijn ouders. Hij was inmiddels als basketballer terecht gekomen bij de junioren van Juventus, een club uit Schiedam. Hij werd door de trainer van het eerste wel eens ingezet als ze spelers tekortkwamen. Dat gebeurde ook tegen het eind van het seizoen, toen het resultaat van een wedstrijd tegen AMVJ mede-beslissend zou zijn voor het wel of niet degraderen van de Schiedammers.

In de verlenging viel Kees in en scoorde vijf beslissende punten op een rij. ‘Veldboer redt Juventus’, kopte Het Vrije Volk daarna. Toen de moeder van Kees daar door vriendinnen over werd aangesproken was haar reactie ‘Tja, hij moet toch érgens goed in zijn.’ Kees hoorde dat en stelde vast dat zijn moeder niet trots op hem was. Een nieuwe bevestiging dat hij geen goed kon doen in de ogen van zijn ouders.

Deze ervaringen, net als het vroegere pesten op school en straat, brachten Kees tot de conclusie dat hij op niemand kon rekenen: hij moest voor zichzelf opkomen. Dat maakte hem hard voor zichzelf en voor zijn omgeving.

Eigen weg uitstippelen

De jonge Veldboer besloot dat hij lang genoeg had geluisterd naar zijn oude heer. Hij zou voortaan zijn eigen weg uitstippelen en vond ook dat het tijd werd dat hij beter zou gaan verdienen. Eerder had hij via meerdere kranten zijn eigen voetbalschoenen bij elkaar gespaard (door zijn vader in de vuilbak gegooid omdat Kees ze herhaaldelijk liet rondslingeren), een nieuwe fiets en zelfs een eigen autootje.

Hij solliciteerde als taxichauffeur en werd aangenomen bij Eurotax. Dankzij de vergoeding voor onregelmatige werktijden en dankzij de fooien ging hij erop vooruit, maar vader Veldboer vond het uiteraard niets. Kees wel: rondrijden in een Mercedes! Maar het mooiste vond hij het als hij op de rolstoelbus mocht invallen. Toen het bedrijf een derde bus kocht, mocht hij daarvan de vaste chauffeur worden. Daar ontdekte hij dat hij eigenlijk een zorgverlener was.

Hij hielp ouderen naar hun dagbesteding, reed gehandicapten naar hun behandelaar en kinderen naar scholen voor aangepast onderwijs. Hij kreeg een band met zijn klanten. Ging af en toe een avondje kaarten of een dagje vissen met een eenzame passagier. En constateerde dat het vreselijk was dat die mensen voor hun vervoer zo’n forse eigen bijdrage moesten betalen. ‘Voor een ritje in de stad waren ze zo vijftig euro kwijt’, vertelde hij over die periode. Het bracht hem als twintigjarige tot de uitspraak: ‘Als ik het geld ervoor had, kocht ik zelf een bus en zou ik dat vervoer gratis doen.’

Kees de zorg in

In elk geval werd Kees duidelijk dat hij de zorg in moest. De ambulance, dat leek hem wel wat. Om zichzelf te testen vroeg hij aan het taxibedrijf of hij een keer mee zou kunnen op de rouwauto om overleden mensen op te halen en te verzorgen. Hij wilde weten of hij er tegen zou kunnen als hij met doden moest werken. Het was in de tijd dat van een overledene de lichaamsopeningen werden dichtgepropt om lekkages te voorkomen en dat met wat schmink, een scheerapparaat en een kammetje het stoffelijk overschot toonbaar moest worden gemaakt.

Bij het eerste het beste lichaam dat in een ziekenhuis moest worden opgehaald, kwam Kees met zijn begeleider terecht in de sectiekamer, waar een lichaam volledig opengesneden en –gezaagd op tafel lag. Kees wist toen dat hij er tegen kon en werd toegevoegd aan de vaste bemanning van de lijkwagen.

Maar om op de ambulance te komen, moest je een groot rijbewijs, chauffeursdiploma’s en een EHBO-diploma hebben, zo kreeg hij te horen. Dus ging hij lessen volgen. Voor het besturen van een vrachtwagen had hij duidelijk aanleg. Het EHBO-diploma bleek moeilijker, want daar kwam veel meer theorie bij kijken. Maar mede dankzij de hulp van zijn zus kreeg Kees het toch voor elkaar. Dus dacht hij klaar te zijn voor de ambulance.

Juist op dat moment vertelde iemand hem dat er een nieuwe eis bij was gekomen: je zou een diploma als verpleegkundige moeten hebben. Het kenmerkt Kees dat hij zich niet verder informeerde (de eis gold namelijk nog niet voor ambulancechauffeurs), maar heel impulsief constateerde dat de ziekenwagen voor hem niet haalbaar was. Een extra opleiding kon hij zich niet permitteren en ook zijn gezinssituatie stond dat niet toe.

Kees Veldboer achter het stuur van een ambulance | Foto: Rijnmond

'Dat wordt m'n vrouw'

Kees was inmiddels namelijk getrouwd met zijn jeugdliefde Truus Vlasveld. Hij was vijftien toen hij haar op de dansschool zag en riep meteen tegen zijn vrienden: ‘Dat wordt m’n vrouw’. Over impulsiviteit gesproken. Maar hij kreeg het voor elkaar: na een relatie die tussentijds zeven keer werd verbroken en weer hersteld, traden ze in 1982 in het huwelijk. In 1989 werd hun zoon Kees (!) geboren, in 1989 volgde Sjoerd. Kees was gek op vrouw en kinderen, maar wist de balans tussen privé en werk niet goed te vinden.

Zeker nadat hij zijn droom om op de ambulance te komen had opgegeven, was hij meer en meer aan het werk. Hij werd vrachtwagenchauffeur en was veel van huis. Dat werd nog vaker het geval toen hij door zijn werkgever werd aangewezen om voor het RO-theater te gaan rijden. Hij werd de vaste chauffeur van het theatergezelschap en dat betekende dat hij avonden en vaak ook nachten van huis was. Bij het theater waren ze gek op lange Kees die zich namelijk maar wat graag bereid toonde ook de technici bij te staan.

Enkele keren heeft hij zelfs een voorstelling gered, zoals de keer dat de installatie waarmee de technici onderling communiceerden defect was. De ploeg die een zwaar decor moest ophijsen kon niet worden bereikt. Precies op het juiste moment sprong Kees naar voren en hees in zijn eentje het stuk omhoog, tot verbazing van de mensen om hem heen. Kees was niet alleen lang, maar ook zeer sterk. En onverzettelijk: als hij iets wilde, dan moest het ook gebeuren.

Truus ziek

Kees was dus weinig thuis en had niet in de gaten dat zijn Truus het huishouden niet in haar eentje kon dragen. Dat ze ziek was had ze zelf niet door, laat staan dat Kees zich ervan bewust was. Na twaalf-en-een-half jaar huwelijk volgde een scheiding die een enorme chaos zou inleiden. Kees kreeg een nieuwe vriendin, maar toen duidelijk werd dat Truus na een ziekenhuisopname niet voor zichzelf kon zorgen, ging hij toch weer met haar verder. Maar Truus was te ziek en kwam terecht in een project voor begeleid wonen, waar ze in 2013 overleed. Kees met kinderen terug naar de vrouw die hem eerder had opgevangen. Daarmee trouwde hij in 1999, maar dat huwelijk was geen lang bestaan gegund. In 2001 volgde de scheiding.

Voor de zonen van Kees was dit een zware periode, die zijn sporen zou nalaten. Kees deed zijn best, maar was er te vaak niet. Gelukkig sprongen zijn zus en zeker zijn ouders te hulp.

Luisteren naar anderen

Kees kreeg zijn leven (en dat van zijn zonen!) pas weer op orde toen hij voor de verandering eens besloot naar anderen te luisteren. Midden in alle tumult was hij toch als oproepkracht achter het stuur van de ambulance terechtgekomen. Zonder opleiding tot verpleegkundige. Vanuit die functie kreeg hij een half jaar later een vaste aanstelling bij de ambulancedienst in Schiedam. Daar zagen de collega’s hoe hij worstelde met gezinsleven. Tenslotte raadden ze hem herhaaldelijk aan te gaan daten. Toen hij toegaf, hielpen ze hem met het invullen van een profiel en het plaatsen van een foto.

Drie dagen later koos hij uit de binnenkomende reactie die van ene Ineke van Valen. Dat zou in alle opzichten zijn redding worden. Kees en Ineke raakten heel snel met elkaar aan het mailen en uiteindelijk kwam er een ontmoeting. In 2003 gingen ze samenwonen en vijf jaar later traden ze in het huwelijk. Ineke bracht haar dochter Sophia mee. Zijn band met Sophia was zo goed, dat zij inmiddels de achternaam Veldboer heeft gekozen.

Ook Ineke was afkomstig uit de zorg. Ze kende de ervaringen en problemen van Kees en toen hij eenmaal met het idee van de wensambulances kwam, stond ze daar volledig achter en werd net zo’n belangrijke kracht achter de stichting als hijzelf. Kees zei: ‘Ik ben de motor en Ineke is de benzine.’

Kees' betrokkenheid

Die stichting kwam voort uit Kees’ betrokkenheid bij de mensen die hij in zijn ziekenwagen moest vervoeren. Hij zag uiteraard veel narigheid. Kees was bijvoorbeeld de eerste hulpverlener die ter plaatse kwam bij de Schiedammer parkmoord. Onder zijn handen overleed een jongen die al spelend onder een tram was gekomen.

Zelfdodingen, reanimaties, het behoorde allemaal tot de zaken waarin zijn handelen was vereist en die hij moest zien te verwerken. In een tijd dat mentale begeleiding amper nog bestond. ‘Je praatte er als collega’s over op de terugweg en dat was het dan.’ Meer hoefde voor Kees ook niet. Alleen als er kinderen bij betrokken waren, lukte het hem niet het snel van hem af te zetten.

Kees werkte op de ambulance vaak samen met verpleegkundige Linda de Jong. De twee maken – als de tijd het toeliet - met langdurig zieke of terminale patiënten die moesten worden vervoerd wel eens een omweg. Even een frisse neus halen of nog even een kijkje bij de eigen woning. Ze ontdekken dat zo’n klein gebaar een enorm effect heeft.

Leidinggevenden mopperden er wel eens over, want de twee haalden met die acties de efficiencycijfers omlaag. In de steeds strakker gereguleerde ambulancezorg hield de directeur Kees en zijn collega echter de hand boven het hoofd. Hij kreeg namelijk geregeld lovende brieven van patiënten en hun familieleden die hun dankbaarheid betuigden voor dat omweggetje.

'Dit is zo eenvouding, zo simpel'

Op een novemberdag in 2006 moeten Kees en Linda een terminale patiënt vanuit het Holy-ziekenhuis in Vlaardingen voor een pijnbehandeling naar Dijkzigt brengen. Maar als ze de patiënt op de brancard hebben liggen, komt het bericht dat de behandeling uren wordt uitgesteld. Ze vragen de man, Mario Stefanutto, of hij soms zin heeft in een uitje. Zo belanden ze op het Westerhoofd in Vlaardingen, waar de oud-marineman zijn hart ophaalt.

Hij geniet zo intens, dat Kees besluit dat hij voor Mario ook een rondvaart door de havens wil regelen. Het succes daarvan is de definitieve impuls voor de oprichting van de Stichting Ambulance Wens. In de woorden van Kees: ‘Dit is zo eenvoudig, zo simpel. Een paar telefoontjes, een ouwe ambulance en je kunt mensen gelukkig maken door hun laatste wens te vervullen.’

De ambulance van de stichting in Rotterdam | Foto: Rijnmond

In Nederland regelland is het makkelijk om zoiets te bedenken, maar het uitvoeren is een ramp. Veldboer kreeg te maken met regels, wetten en verordeningen. Maar tegelijkertijd kreeg hij onmiddellijk medewerking. Om te beginnen ging zijn directeur vol achter het plan staan en gaf hem de beschikking over een ambulance van de dienst. Een notaris uit de woonplaats van Kees hielp hem met het oprichten van de stichting en voor alles wat hij tegen kwam, wist Kees uiteindelijk wel iets te regelen.

Zijn stichting kreeg meteen veel publiciteit en als gevolg daarvan kwamen er donaties. Maar goed ook, want Kees wilde niet bedelen. Hij wilde al helemaal niet dat de mensen voor wie hij zich inzette ook maar een cent zouden moeten betalen. Dat is tot de dag van vandaag uitgangspunt van de SAW: haar diensten zijn gratis.

Een vervulde wens van Stichting Ambulance Wens | Foto: Rijnmond

Kees besefte dat hij dingen zou moeten regelen voor zijn ambulances. Maar hij redeneerde dat hij eerst gewoon kon beginnen met de ambulances van zijn werkgever. Als er dan een stevige basis was, zou geen ambtenaar die meer onder zijn voeten wegslaan. Toen de SAW al snel een eigen ambulance kon kopen, nam Kees contact op het ministerie van Volksgezondheid en vroeg om hulp. Daar dachten ze dat hij geld wilde hebben, maar toen bleek dat dat niet het geval was, zeiden ze dat ze zouden kijken wat ze voor hem konden doen.

Overheid te vriend

Kees hoorde er niets meer van en vond het best. Hij had het geregeld, want bij het ministerie neergelegd. Dus moesten ze het daar in orde maken. Jaren later bleek dat het ministerie het echt had geregeld. Op een ander ministerie, Binnenlandse Zaken, had een ambtenaar ontdekt dat de ambulances van de SAW dezelfde striping hadden als ‘echte’ ambulances. Dat mocht natuurlijk niet. Kees werd in een strenge brief gesommeerd op het ministerie te komen en daar werd gedreigd met strenge maatregelen, want de SAW zou helemaal geen ambulancedienst zijn.

Door de strenge toon van de brief had Kees al een advocaat geraadpleegd en die had ontdekt dat de SAW bij Volksgezondheid stond geregistreerd als ‘speciale wensambulance’. Ook werd ontdekt dat Binnenlandse Zaken had verzuimd het beeldrecht van de striping vast te leggen. Dat alles veroorzaakte kortsluiting bij de mensen van Binnenlandse Zaken. Kees besefte dat hij beter de overheid te vriend kon houden en kondigde aan zijn ambulances van aangepaste striping te voorzien.

Recht door zee, pragmatisch

Het typeert hoe Veldboer de dingen aanpakte: recht door zee, pragmatisch. Voor Kees bestond er eigenlijk geen nee. Als hij had bedacht hoe hij iets kon uitvoeren, dan liet hij zich niet tegenhouden. Door niets of niemand. Zelfs in eigen kring ging hij soms dwars door een muur als dat moest. In 2020 was een van de ambulances aan vervanging toe. Mede door corona was het bestuur van de SAW volgens Kees niet snel genoeg in staat te besluiten tot de aanschaf van een nieuwe wagen. Kees verloor zijn geduld, plaatste op vrijdagmiddag een oproep op social media en vijf (!) dagen later een bedankje: er was 105.000 euro binnen. Genoeg voor een nieuwe ambulance én voor een crisis in het bestuur.

Iedereen die met Veldboer te maken had, prijst zijn gedrevenheid, zijn zorgzaamheid en zijn vastberadenheid. Kees, als echte Rotterdammer, was recht door zee en absoluut geen mooiprater. Hij deed zich niet anders voor dan hij was. In 2009 werd hij uitgenodigd voor de Uitblinkerslunch van koning Willem-Alexander en koningin Maxima. Maar denk niet dat hij daar in een sjiek kostuum verscheen. Een stropdas deed hij ook niet om. Voor de gelegenheid een colbertje kon nog net, maar verder vond hij dat zijn trouwe spijkerbroek volstond. Kees Veldboer liet zich door niemand de les lezen, door niemand gek maken. Hij verbeelde zich niets. De ene dag werd hij door de BBC uitgeroepen tot meest inspirerende persoon ter wereld, de volgende ochtend stond de directeur gewoon ambulances te wassen. Kees Veldboer: de man van gewoon doen.

Kees Veldboer | Foto: Rijnmond

Deze tekst is gebaseerd op gesprekken met Kees Veldboer, familieleden, oud-collega’s en oud-werkgevers, vrijwilligers van de SAW en patiënten die een wens door de stichting vervuld zagen worden en/of hun familieleden. Die gesprekken worden verwerkt in ‘Gewoon doen’, de biografie over Kees Veldboer waaraan hij zelf meewerkte en die in oktober verschijnt bij Walburg Pers.

Meer over dit onderwerp:
REGIO NIEUWS
Deel dit artikel: