Portret van een (verdwenen) familiebedrijf uit de Waalhaven: 'Mijn vader had een hekel aan die containers'

Dit weekend zijn de Wereldhavendagen en een familie die al generaties rondloopt in onze wereldhaven is de familie Klapwijk. Zij vertellen over de betekenis, de verandering en vooral het gevoel van de haven. "Het had een groot gevoel van kameraadschap: samen een schip leeghalen, dan aan het bier."

De 81-jarige Rinus Been sleept met zijn rechtervoet als hij langs de loods met aluminium buizen loopt aan de Waalhaven op Pier 1. Op het terrein draaien vrachtwagens om elkaar heen. Beens generatie sleet snel, in de haven. Hij heeft last van zijn knie, heeft al een nieuwe heup. Zijn hele werkende leven werkte hij in de haven. "Soms kom ik hier nog langs. Het is zo mooi hier. Ik kom altijd wel bekenden tegen, al zijn de meesten te druk voor een praatje."

Broers Peter Paul (59) en Sander (58) Klapwijk zitten met hem aan tafel, omdat hun vader niet meer leeft. Hij is in 2007 overleden aan kanker, een paar jaar na zijn pensioen. Ook aan tafel zit de jongste telg en vijfde generatie van de familie Klapwijk in de haven: Lennart (26). "Rinus, die lang bij mijn vader werkte, is als familie," zegt Peter Paul. Dit is het verhaal van de havenfamilie Klapwijk. En over hoe alles in de haven automatischer, anoniemer, groter en sneller werd.

Lijndienst op Guernsey

Het werk in de haven van de familie Klapwijk begon aan de Rotterdamse Scheepstimmermanlaan met Hendrik Klapwijk. Hij was in 1926 de oprichter van H. Klapwijk B.V., op de kop van de Rijnhaven. "Hij was de opa van mijn vader die ook Hendrik heette. Zijn zoon Pieter, onze opa, begon Rapide B.V., gespecialiseerd in met name stukgoed (goederen die per stuk vervoerd worden en niet altijd gestapeld in een container kunnen, red.). Van stoepranden tot staal, buizen en aluminium, wat de markt maar vroeg. Later hadden we ook een klant met een lijndienst naar Jersey en Guernsey", vertelt Sander. De twee bedrijven fuseerden later tot één familiebedrijf.

Rinus Been, ook bekend als 'pa Been', omdat hij de vader van Mario Been is. | Foto: Nieuws op Beeld

Waarom Hendrik senior een carrière begon in de haven, weten de broers Klapwijk niet. Ze weten het wel over hun eigen vader, Hendrik junior. Die koos daar niet bewust voor. "Mijn pa had weinig keuze," herinnert Peter Paul. "Het was na de oorlog, er moest geld worden verdiend. Zijn vader haalde hem daarom op zijn elfde van school: aan de slag. Daar heeft hij later altijd van gebaald. Hij kon goed leren, hij droomde ervan bioloog te worden."

Hendrik volgde zijn vader Pieter op als directeur van het bedrijf. Het telde door de jaren heen altijd rond de dertig medewerkers, Rinus Been was daar onder Hendrik junior een van. "De meeste havenmedewerkers kwamen uit Rotterdam. Ik ook. In mindere mate kwamen ze uit de Hoeksche Waard en Brabant. Die noemden wij de boertjes", lacht Been. Het was buffelen destijds. "Vrachtwagens laden, spullen bij de kraan zetten, de kraan bedienen, loodsbaas. Ik deed alles." Op zijn 57ste pensioneerde Rinus.

De snelheid

Het buffelen in de jaren van zijn vader en van Rinus had ook fysieke gevolgen, vertelt Sander: "Ik herinner me nog een medewerker uit die tijd, Louis. Hij moest een staaldraad om een bundel buizen trekken, daarvoor maakte hij een rare beweging vaak achter elkaar. Zijn pees was zo versleten dat zijn onderarm totaal stijf was en hij geopereerd moest worden. De dokter zei toen hij hem zag: ‘wat doe jij in hemelsnaam met die arm?!’"

'Het gaat tegenwoordig zóveel harder!'
Rinus Been

Als Been – die tegenwoordig in de haven en daarbuiten bekend staat als ‘pa Been’, omdat hij de vader is van Mario Been – weer eens een tochtje door de haven maakt, valt hem vooral één ding op: "Het gaat zoveel sneller." Om daar een beeld van te krijgen, vertelt Peter Paul over toen hij eens aan boord was van een groot containerschip. "Het had 6.000 containers aan boord. Tegenwoordig is zo’n schip in een dag leeg. Ik belde mijn pa en vroeg: hoe lang duurde dat vroeger? Hij, droogjes: drie jaar." De mannen lachen hard.

Schaalvergroting

De container kwam, het lossen en laden automatiseerde meer en meer, wat de snelheid omhoog bracht, het aantal werknemers naar beneden en de kosten voor de consumenten drukte. "Met name de komst van de container bracht schaalvergroting. In de jaren negentig kreeg de container een grote rol in de haven. Bedrijven moesten groot zijn, anders overleefde je het niet. Daardoor verdwenen de kleinere familiebedrijven," vertelt Bas Janssen, directeur van de ondernemersorganisatie in de haven, Deltalinqs.

Peter Paul Klapwijk: "Het mooiste is het kameraadschap." | Foto: Nieuws op Beeld

Janssen: “En juist die kleinere familiebedrijven hebben ook meerwaarde: binding met Rotterdam, binding met de werknemer, meer gericht op de lange termijn en volgende generaties ten opzichte van grote bedrijven die vooral aandeelhouders tevreden willen stellen.” Haveneconoom Bart Kuipers van de Erasmus Universiteit herkent dat. "Familiebedrijven zijn veel meer geneigd om net dat tandje extra te zetten. Dat is een groot voordeel. De familiebedrijven die nog wel door kunnen, onderscheiden zich tegenwoordig met name met specialistische kennis of omdat ze gegroeid zijn."

Containerhaat

Fysiek werd het werk minder zwaar, maar ook anoniemer, vinden de broers Klapwijk. Ze zien de container als black box. "Mijn vader had een hekel aan containers", zegt Peter Paul. "Hij vond stukgoed – wat wij als familie altijd in- en uitlaadden – veel mooier, wilde producten echt voelen en zien." Bovendien werd het werk door containers saaier, vond Hendrik junior. Sander en Peter Paul herkennen dat wel. Sander: "Containers uitladen gaat altijd hetzelfde. Stukgoed is telkens een puzzel hoe het te laden en daarom veel leuker." Peter Paul: "Je hebt door schaalvergroting en containers geen idee meer waar je mee werkt."

De volgende generatie had meer vrijheid in levenskeuzes. Peter Paul: "Mijn vader heeft, met zijn eigen gemiste biologen-ambities in het achterhoofd, altijd benadrukt: ga studeren, doe je best op school. Dat laatste mislukte bij mij wel een beetje, overigens." Peter Paul wilde in eerste instantie niet in de haven werken. "Het ging bij ons aan tafel altijd over de zaak. Mijn vader had een dag in de week met de familie, verder zagen we hem weinig."

‘É, klootzak!’

Bij Sander zat het wel in het bloed. "Mijn moeder zei dat ik, zodra ik kon praten, al zei dat ik bij mijn vader in de haven wilde werken. Al dat gesleep, rijden met de lepelwagens, documenten stempelen. Ik vond het altijd al prachtig", vertelt Sander. Als zoons van de directeur moesten de jongens wel wennen in de haven. Peter Paul: "Onze thuisomgeving was best beschermd. Ik dacht dat mensen op het werk constant ruzie hadden, vanwege het taalgebruik. Je hoorde met enige regelmaat iets als: ‘É, klootzak, pak dat eens. Of: ‘Heb je houtrot aan je klauwen?’"

Sander Klapwijk: "Ik vind stukgoed gewoon leuker." | Foto: Nieuws op Beeld

Peter Paul volgde een opleiding aan de school voor de journalistiek en werd fotojournalist, maar werkte ook zo met enige regelmaat in de haven. “Ik was eigenlijk een soort freelance havenarbeider.” Sander: "Hij had het weleens heel druk, maar ook wel eens rustig." Peter Paul, die ook fotografeert voor supportersvereniging FSV/De Feijenoorder, deed het met plezier.

Kombuis-kookboek

"Het is hartstikke mooi: leuk met maten. Het heeft een hoog kameraadschapsgevoel", zegt Peter Paul. "Samen een schip leegmaken, en dan aan het bier." Hij ziet parallellen met de ‘unieke’ sfeer in De Kuip. "’Hand in hand, kameraden’ is tot de haven te herleiden. Daar moet je echt op je maat vertrouwen. Je bent op elkaar aangewezen, moet voor elkaar zorgen."

'Dan ging je van de opslagruimte naar de persoonlijke vertrekken en de kombuis en stapte je ineens China binnen'
Peter Paul Klapwijk

Wat ook wegvalt door de toenemende automatisering: contact met de mensen op het schip. Of contact van zeelui met de wal. "Zie de wereld, ga naar zee, zo was het. Maar nu niet meer. Nu komen ze niet verder dan de Maasvlakte." Dat contact met de zeelui was inspirerend. Peter Paul schreef er een boek over: Van Alle Wereldzeeën, het Rotterdamse scheepskookboek. "Soms werkten we op een schip vroegen ze of je mee wilde eten. Dan ging je van het ruim naar de kombuis en stapte je ineens China binnen. Elk schip is toch een stuk buitenland dat Rotterdam binnenvaart."

Computerles op een Commodore 64

Sander werd wel vaste medewerker bij zijn vader. Als jonge jongen fietste hij de ladingsbriefjes naar de douane en weer terug, later klom hij op. Uiteindelijk werd hij general manager (zijn vader bleef eigenaar) tot de verkoop. "Toen wij begonnen, was het werk in de haven wat IT-betreft amper geschoold, we hadden computerles op een Commodore 64. Je leerde het in de praktijk. Dat is in de loop van de jaren veranderd, met de automatisering. Je moet nu echt een opleiding hebben gedaan, wil je aan de slag komen en iets snappen."

Lennart Klapwijk: "Mensen zullen altijd in de haven blijven." | Foto: Nieuws op Beeld

Ondanks de trend dat steeds meer bedrijven overgingen op containers, bleef Klapwijk/Rapide bij stukgoed. "Ik vind het gewoon veel leuker. En als er zoveel bedrijven overstappen op containers, dan blijft er altijd nog wel werk voor stukgoed. Niet alles past in een container", zegt Sander. Toch werd het bedrijf in 2001 overgenomen en ging het in 2006 failliet. "De overname was onder andere ook omdat mijn vader al op leeftijd was. Ik heb met hem besproken om het bedrijf over te nemen, maar de markt waar wij in zaten bleek toch te moeilijk en riskant. Ik wilde me daar niet aan wagen."

Autocoureur

Je zou haast denken: wat je ook doet, ga níét in de haven werken. Desondanks begon in 2014 met Lennart de jongste telg met hetzelfde werk, alleen dan bij het bedrijf waar zijn vader naar overstapte: Rhenus Logistics, een veel groter Duits familiebedrijf met wereldwijd 30.000 werknemers.

Lennart droomde altijd van een carrière als autocoureur (‘maar ja, dat wil iedereen wel’), maar een vakantiebaantje in de haven bleek haalbaarder, bij zijn vader, bij Rhenus. Hij volgde een opleiding op Hogeschool Rotterdam, logistiek en economie waarmee hij zich meer specialiseerde in de haven. "Nog steeds, als je samen een klus klaart, hard werkt om een schip leeg en weg te krijgen, geeft het voldoening als je klaar bent."

Met de verduurzaming en de automatisering staat de haven voor grote opgaven. Maar Lennart maakt zich weinig zorgen. "Er zal altijd wel een mens moeten zijn die iets doet. Denk bijvoorbeeld aan klanten binnenhalen. En niet alle producten kunnen door robots van het schip gehaald worden. Ik geloof niet dat de mens ooit helemaal uit de haven verdwijnt."