nieuws

Vergeten Verhalen: angst voor anarchisme

De Bereden Politie is in Rotterdam ingesteld in het jaar 1895. Het is een idee van hoofdcommissaris Willem Voormolen. Hij leidt de politie in een roerige tijd. Rond 1900 gaat er - net als nu - een golf van terreur door Europa.
Eén van de maatregelen van de overheid is het versterken van het opsporingsapparaat. Willem Voormolen speelt daar een belangrijke rol in.
In de jaren 1880-1914 worden bij aanslagen in Europa 160 mensen gedood en raken meer dan 500 mensen gewond. Onder de slachtoffers illustere figuren als keizerin Sissi van Oostenrijk en de Italiaanse koning Umberto I.
Veiligheid
Nederland houdt het relatief rustig maar bij de autoriteiten leeft wel de angst dat het geweld ook naar ons land zal overslaan. Rond de eeuwwisseling worden maatregelen genomen om de binnenlandse veiligheid te vergroten. Voormolen is één van de voortrekkers.
Bij zijn aantreden als hoofdcommissaris in 1893 heeft hij de opdracht gekregen om het Rotterdamse korps ingrijpend te reorganiseren. Het Rotterdamsch Nieuwsblad schrijft dat het korps beter in staat moet zijn 'aan de zich uitbreidende gemeente, die rust te verzekeren, die voor handel en vertier een hoofdvereischte is'.
"In de beleving van een deel van de burgers stond die rust onder druk", vertelt Anne Jongstra van het Stadsarchief Rotterdam. "Met de stroom migranten die zich in de stad vestigden, groeide het gevoel van onveiligheid". Dat wordt versterkt doordat de misdaadverslaggeving een belangrijkere plaats gaat innemen in de kranten.
In zijn ambitieuze reorganisatievoorstel van 1895, speelt Voormolen subtiel in op de angsten van de burgerij. Hij stelt onder meer voor om enkele gespecialiseerde diensten in het leven te roepen.
Bereden brigade
Eén daarvan is de bereden brigade. Politie te paard is uitermate geschikt om grote menigten in bedwang te houden. Een andere voorstel van Voormolen is de vorming van een recherchedienst van dertig man sterk. Die is volgens de hoofdcommissaris nodig omdat er met de groei van de haven steeds meer ‘spitsboeven, dieven en moordenaars’ naar Rotterdam komen. Bovendien oefende de stad een sterke aantrekkingskracht uit op 'anarchisten en andere voor de samenleving minder gewenschte individuen'.
Anarchisten
Die verwijzing naar ‘anarchisten’ is een slimme zet. Zij zijn het die in het buitenland ellende veroorzaken met hun moordaanslagen. Anarchisten streven naar een maatschappij waarin door het uitbannen van alle vormen van gezagsuitoefening een bijna volledige vrijheid heerst.
De meesten hopen dat doel met vreedzame middelen te bereiken, zoals het verspreiden van pamfletjes of het beleggen van protestvergaderingen. Maar er is ook een groep die gelooft dat terroristisch geweld de gedroomde samenleving naderbij kan brengen. De moordenaars van Sissi en Umberto komen uit die kringen.
Stadhuis Rotterdam
In Rotterdam zijn sinds het eind van jaren ’80 ook anarchisten actief en die bezigen soms dreigende taal. In 1894 laten ze bijvoorbeeld een brief achter bij het stadhuis, waarin ze de burgemeester waarschuwden voor ‘een vreselijke slach welke het stadhuis zal doen vernietigen'.De brief sloot af met de leus: ‘Leve de anarchie wech met de regeering.
In 1896 stuurt Willem Voormolen twee Rotterdamse inspecteurs langs een aantal gevangenissen en politiebureaus om uitleg te geven over het zogenoemde Bertillon-stelsel. Voormolen heeft deze Franse vinding eind 1894 in Rotterdam geïntroduceerd na een studiereis naar Parijs.

Signalement

Het is een kaartsysteem met signalementen van mensen die met de politie in aanraking zijn geweest. Bij hun arrestatie worden ze gefotografeerd en hun gezicht en schedel nauwkeurig opgemeten. De uiterlijke kenmerken die zo zijn vastgelegd, kunnen worden gedeeld met andere korpsen in binnen- en buitenland. Dit blijkt zo’n handig opsporingsinstrument dat het al gauw brede verspreiding vond.
Dit bestand vormt ook de basis voor de anarchistenboekjes die de Rotterdamse politie begin 1899 samenstelt. Deze zakboekjes bevatten foto’s van ruim honderd bekende binnen- en buitenlandse anarchisten en worden op verzoek van het Ministerie van Justitie verspreid onder politiecommissarissen, chefs van de recherche, maar ook onder de vreemdelingendienst en rivierpolitie in het land.
"Gek genoeg blijkt uit de geheime rapporten die Voormolen maandelijks naar het ministerie stuurde dat er in de praktijk nauwelijks enig gevaar uitging van de Rotterdamse anarchisten", zegt Jongstra. In oktober 1901 meldt de hoofdcommissaris dat 13 Rotterdammers ervan verdacht worden ‘de anarchistische beginselen te zijn toegedaan.
Staatsgevaarlijk acht Voormolen ze niet: ‘Hoewel enkelen van deze personen heftig in de vergaderingen optreden komt het mij voor dat zij niet gerekend moeten worden te behoren tot de anarchisten van de daad.’ Daarna beperkt de hoofdcommissaris zijn rapportages meestal tot de mededeling dat er ‘geen bijzonderheden’ zijn.
"Achteraf gezien zijn Voormolens toespelingen op dreigend anarchistisch geweld dus vooral een geslaagd staaltje van bestuurlijke-politieke agendasetting. Het hielp hem om de ingrijpende en vooral ook kostbare reorganisatie er bij de politiek doorheen te krijgen", aldus Jongstra.