ROTTERDAM

Tachtig jaar na oprichting Joods Lyceum vertellen dagboeken het verhaal van leerlingen in oorlogstijd: 'En dan? Dood?'

Het is deze week tachtig jaar geleden dat in Rotterdam het Joods Lyceum werd opgericht. De Duitse bezetter had Joodse leerlingen in 1941 verboden om terug te keren naar hun eigen school. De gemeente Rotterdam richtte toen Joodse scholen voor hen op. Een van die scholen was het Joods Lyceum. Het werd gevestigd in een schoolgebouw aan de toenmalige Speelmandwarsstraat in Kralingen. Op deze school brachten 150 Joodse tieners hun laatste schooljaar door. Anne Schram probeert de namen en verhalen van deze leerlingen te achterhalen aan de hand van twee dagboeken.
Schoolgaande Joodse kinderen kregen tijdens de zomervakantie van 1941 plots te horen dat ze van de Duitse bezetter na de vakantie niet meer welkom waren op hun eigen school. Per brief werden hun ouders geïnformeerd. In de maanden die volgden, richtten diverse gemeenten in Nederland Joodse scholen voor hen op, zowel lagere scholen als middelbare scholen. In Nederland werden zo’n dertien Joodse lycea opgericht, vertelt Schram. De meeste van deze scholen hebben een herdenkingsmonument, zoals een website, boek of plakkaat. Maar Rotterdam niet. "Op zich had Rotterdam na mei 1945 natuurlijk wel iets anders aan z’n hoofd, omdat de binnenstad plat lag", begrijpt de onderzoekster. "Maar aan de andere kant is er ook in andere opzichten heel weinig aandacht geweest voor de terugkerende joden. Op het Joods Lyceum zaten 150 Rotterdamse kinderen. Voor de meesten was dit het laatste reguliere schooljaar dat zij meemaakten voor ze werden vermoord."
Het verhaal van deze Rotterdamse leerlingen dat nog niet verteld is, probeert Schram nu wél te vertellen. Het begint met het achterhalen van de namen van alle 150 leerlingen. Dat blijkt niet makkelijk. Een schoolregister is er niet. "De rector van het Joods Lyceum heeft nog wel gesproken met een schoolhistoricus van het Erasmiaans Gymnasium. Hij heeft daarbij verteld dat de administratie verloren is gegaan." Gelukkig zijn er nog andere bronnen, zoals boeken en administraties van andere scholen. "Het bijzondere is dat er twee dagboeken zijn gepubliceerd van meisjes, Carry Ulreich en Esther van Vriesland, die allebei in de derde klas van het Joods Lyceum zaten." 

Twee dagboeken

Op basis van die dagboeken en andere bronnen heeft Schram zo’n 75 namen kunnen achterhalen. Door de dagboeken weet zij vooral veel namen uit de derde klas, de klas van Carry en Esther. Voor zover Schram weet hebben maar vijf leerlingen uit deze klas de Tweede Wereldoorlog overleefd. "Dit waren onschuldige kinderen van 15, 16, 17 jaar. De kinderen in de eerste klas waren pas 12." Hun verhaal vertellen is niet alleen belangrijk om te waarschuwen voor de gevaren van segregatie, maar ook omdat het ónze Rotterdammers waren die het verdienen herdacht te worden. "Het zijn kinderen die van bestaande scholen kwamen. Ze zaten op het Libanon, het Rotterdams, de meisjesschool in de Witte de Withstraat, het Erasmiaans Gymnasium. Zij waren in de eerste plaats Rotterdammers." 
De dagboeken van Esther en Carry laten zien dat het schoolleven in tijden van oorlog gewoon doorgaat. In de pauze lopen de kinderen wel eens naar de Goudsesingel om wat lekkers te halen. “Vermoedelijk in de noodwinkels, die daar toen stonden|”. Vooral uit Esthers dagboek spreekt soms jeugdige onbezorgdheid. "Er worden grapjes gemaakt in de klas. Ze is nerveus voor proefwerken of spreekbeurten, er zijn verliefdheden." Tegelijkertijd komt de dreiging van de oorlog dichterbij. "Dat proef je vooral bij Carry, bekend als ‘de Rotterdamse Anne Frank’. Ook omdat haar dagboek langer doorgaat." Esthers dagboek stopt na één jaar als het meisje wordt opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Schram vindt het lezen van de dagboeken aangrijpend. "Vooral dat van Esther, omdat je weet hoe het met haar is afgelopen. Zij is vermoord." In het dagboek beschrijft Esther hoe ze zich voorbereidt op deportatie naar het oosten. "Dat ze dagenlang bezig zijn met het labelen van hun kleding. Dat ze nog vaccinaties halen. En dat ze dan een muts gaat breien omdat het koud is in Polen." Op een of andere manier weet Esther dat ze daarheen gaat, maar wat dat betekent is niet zeker. "Ze schrijft wel ergens: ‘En dan? Dood?’"

Vijf overlevenden

Een van de vijf overlevenden uit de klas van Esther en Carry is Simon Hornman. Hij is vijftien jaar als hij in de derde klas zit. Tijdens de oorlog wordt hij gedeporteerd naar Westerbork. "Hij is fluitend Westerbork uitgelopen". Hornman ontdekte dat zijn naam voor een tweede keer op een transportlijst stond en wist te ontsnappen. "Hij is heel oud geworden en sprak lang als gastspreker op scholen. Vorig jaar november is hij helaas overleden." De dochter van Hornman bleek over Simons klassenfoto van het Joods Lyceum te beschikken. " Carry had ik snel herkend. Haar zoon heeft bevestigd dat het zijn moeder is." Carry overleeft als een van de weinigen uit haar klas de oorlog, maar is nu overleden. "Ik denk dat er nog maar 1 à 2 mensen in leven zijn die zelf ook op die school hebben gezeten. Met een van hen heb ik contact. Hij wist ook nog een aantal leerlingen aan te wijzen." 

Zoektocht naar informatie

Schram wil de leerlingen van toen leren kennen en het verhaal van de klas van Esther en Carry vertellen in een andere vorm. "Via een toneelstuk lijkt mij mooi. Een toneelstuk voor scholieren of opgevoerd op middelbare scholen. Ik heb daar wel ideeën over." Maar eerst hoopt ze nog hulp te krijgen. Schram heeft nog een lijst van tien namen van wie ze weet dat ze in de klas zaten, alleen weet ze niet wie ze zijn op de foto. "Er zijn natuurlijk nog steeds mensen in leven van die generatie die herinneringen hebben." Ze hoopt dat zij informatie hebben die haar verder kan helpen, "want ik heb nog best veel vragen." Op die manier hoopt Schram de leerlingen van toen beter te leren kennen. "Dit zijn geen onbekende mensen. Dit zijn kinderen met een geschiedenis. Ze hadden klasgenootjes op de scholen waar ze vandaan kwamen. Dus ik hoop dat er mensen zijn die hen hebben gekend."
Oproep: Kent u namen van Joodse tieners die tijdens de oorlog op het Joods Lyceum zaten? Heeft u voor of tijdens de oorlog Joodse tieners gekend in Rotterdam, geboren tussen 1922 en 1932? Neem dan contact op. Dat kan via de website van Stichting Sanderling, waarop het project tijdelijk een plaats heeft gekregen. Of bel Rijnmond via 010 - 707 5 707). Mailen naar Rijnmond kan ook via internet@rijnmond.nl.