Zo Ben Ik Groot Geworden: Hans Sleutelaar

Hij woonde in Amsterdam, Frankrijk en Thailand, maar is nu weer terug in zijn geboortestad: Rotterdam. Daar krijgt hij in november de Anna Blamanprijs. Voor zijn hele oeuvre.
Een oeuvre waar geen einde aan komt is dat overigens niet. "Zestig, zeventig gedichten", schat Sleutelaar. "Ik werk langzaam."
Hij is een schrapper, een schaver. "Het moet wel goed zijn wil ik het kunst noemen."

Hans Sleutelaar (1935) hoort in de jaren vijftig met vrienden als Cor Vaandrager, Armando, Jan Cremer en Simon Vinkenoog bij de kunstenaarsscene die zich afzet tegen het bombastische taalgebruik van eerdere generaties. Ze schrijven poëzie en geven tijdschrijften uit.

Keihard werken gaat hand in hand met feesten, bier drinken en wiet roken. Voor dat laatste rolt Simon Vinkenoog in die tijd nog een half jaar de cel in, vertelt Sleutelaar lachend.

Zijn eerste gedichten? Die stammen uit zijn puberteit. Na een koortsdroom waarin hij door het heelal zweeft, kleeft de pen steeds vaker aan het papier.

Een van zijn favoriete gedichten?

Wolken drijven boven palingkleurig water.
Het licht blinkt net als toen, maar later.
De Hef waakt stil over dit verbeten leven.
Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.

 
Luister hierboven naar de audioverhalen van Hans Sleutelaar
Meer over dit onderwerp:
madm zbigg
Deel dit artikel:

Reageren