nieuws

Rotterdam centrum voor Loodwitindustrie

Loodwit is een van de oudst bekende kunstmatige pigmenten voor de verfindustrie. Aanvankelijk werd loodwit vanuit Engeland geïmporteerd, maar vanaf de zeventiende eeuw nam de productie van loodwit in Nederland een vlucht. Rotterdam werd, met de Zaanstreek, een belangrijk centrum voor loodwitproductie. De grondstoffen konden gemakkelijk via de haven aangevoerd worden. In Frankrijk werd aan het eind van de achttiende eeuw bijna een miljoen kilo loodwit per schip ingevoerd; grotendeels uit Nederland.
Productieproces

Via chemische weg werd uit repen lood de kleurstof loodwit gewonnen. De uit Engeland, Wales of het Rijnland afkomstige looderts werd gesmolten en tot lange repen gegoten op een hellende ijzeren plaat, waarop stroken waren aangebracht. De afgekoelde repen werden opgerold en in potten gedaan, waarin eerst bierazijn of urine was gegoten. Het lood bleef hier net boven omdat in de pot drie noppen waren aangebracht, waar het lood op kwam te rusten. De potten werden in een loods vijf hoog opgestapeld en in mest geplaatst en ook afgedekt met mest. De mest zorgde ervoor dat het geheel ging broeien en de azijn- of urinedamp tastte het lood aan, wat vervolgens loodwit oplevert.
Na vijf weken was er meestal voldoende loodwit ontstaan en kon de witte massa van het resterende lood geklopt worden. Na droging in de buitenlucht werd het loodwit opnieuw gemalen en ten slotte vermengd met krijt, voordat het als kleine bolletjes werd verkocht.

Buiten de stad

De Rotterdamse loodwitmakerijen vestigden buiten de stadsvesten zodat de aan- en afvoer van grondstoffen en loodwit gemakkelijk verliep. In Rotterdam waren er loodwitmakerijen langs de Schie, de Rotte, maar ook aan de huidige Binnenweg en de Houtlaan. Het werk in de loodwitbedrijfjes was naar hedendaagse maatstaven onmenselijk. Het stonk er enorm en het werken met loodwit veroorzaakte onder meer kolieken, hersenaandoeningen en verlammingen.

Potten

Loodwitpotten werden in grote hoeveelheden gebruikt. Een van de Rotterdamse loodwitmakerijen bezat 10.500 grote broeipotten en 32.500 droogpotten. Het is dus niet verwonderlijk dat bij graafwerk op de plek van deze fabriekjes scherfmateriaal van de potten wordt opgegraven. Zo werden in de jaren 80 bij het bouwrijp maken van de voormalige Heliport en bij de bouw van de schouwburg scherven van loodwitpotten gevonden. Ze zijn toen verzameld door Machteld van Limburg Stierum, een vrijwilliger bij BOOR. De scherven bevinden zich nu in de studiecollectie van BOOR.

Loodwitverf

Het was gebruikelijk dat loodwit bij de schilder nog een tijd werd opgeslagen in tonnen. Het moest daar enige jaren op rot staan; hoe langer dat gebeurde, hoe beter het loodwit werd. Om verf te maken wreef de schilder de loodwitbolletjes fijn en vermengde het poeder met lijnolie tot een witte verf. Indien nodig werden andere pigmenten toegevoegd om de gewenste kleur te krijgen. Ook kunstschilders gebruikten loodwit. Panelen en doeken werden eerst met loodwitverf geplamuurd.
Aanvankelijk was loodwit te koop bij de kruidenier of apotheek. Vanaf de 17de eeuw kwamen er meer gespecialiseerde schilderswinkels, die hun waar van groothandelaren betrokken. Het schilderen van kozijnen, luiken en deuren van huizen gaat terug in ieder geval terug tot in de 15de/16de eeuw.

Neergang

Begin negentiende eeuw beperkte de Franse regering de invoer van loodwit. Dit was een serieus probleem voor de Rotterdamse loodwitbedrijven. Bovendien was er toenemende concurrentie uit het Rijnland en Frankrijk. In 1865 waren nog slecht negen loodwitfabrieken in ons land, waarvan drie in Rotterdam. Het giftige loodwit werd tot in de jaren dertig van de vorige eeuw toegepast; daarna werd het verdrongen door zinkwit.
Aan het woord is Cees Herweijer van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam.