Nieuw boek over Van der Gijp: voetbal als troost

Na het gigantische succes van 'Gijp' heeft Michel van Egmond opnieuw een boek over de Dordtse voetbalanalist geschreven: de wereld volgens Gijp. De eerste versie was al voor driekwart klaar toen de moeder van Van der Gijp's zoon overleed. Van Egmond kieperde het hele manuscript in de prullenbak en begon opnieuw. Een interview met de auteur.

Een nieuw boek over René van der Gijp. Terwijl dat niet echt de bedoeling was....
Nee, toen 'Gijp' zo populair werd, zijn er heel veel vragen geweest naar een deel twee. René en ik hebben dat eigenlijk altijd afgehouden. Maar omdat er dit jaar zo'n interessante sportzomer aan zat te komen, met de Olympische Spelen en het EK, dacht ik: we maken gewoon een klein, dun boekje, waarin we met mensen praten uit René zijn verleden. Daarmee kunnen we misschien nog een paar mensen een plezier doen.

Het boek was eerlijk gezegd al bijna af toen er iets heel dramatisch in het leven van René gebeurde. Op een ochtend belde hij me dat de moeder van zijn jongste zoon was overleden. We hadden haar samen een paar uur daarvoor nog gezien. Mijn eerste reflex was: laten we dat boek vergeten. Dat gooien we gewoon in de prullenbak, want er zijn nu wel belangrijker dingen in je leven aan de hand. Maar René zei eigenlijk gelijk: nee, we gaan door! En toen riep ik: we kunnen wel doorgaan, maar dan wordt het een heel ander boek. 'Da's goed', zei René. En toen ben ik aan de slag gegaan.

Hij wist natuurlijk hoe jij te werk ging. En hij vond het toch meteen goed...
Ja, maar dat is altijd zo geweest. Kijk, over dat eerste boek hebben wij, denk ik, niet langer dan vijftien seconden gesproken. Ik heb hem toen een keer opgebeld en zei: ik wil een boek over je maken. 'Da's prima, ouwe reus', zei hij, 'je doet je best maar.'
Na een jaar belde ik hem weer om te zeggen dat het boek af was. Toen zei hij weer: da's prima, ouwe reus. Volgens mij heeft hij 'Gijp' ook nooit gelezen.

Maar hij had geen zin in deel twee...
Klopt. Ik weet niet wat zijn afweging was. Misschien vond hij het zielig voor mij dat ik alles wat er al op papier stond in de prullenbak moest gooien. Of misschien zag hij ook wel in dat dit een nieuwe fase van zijn leven was, waardoor het misschien wel weer interessant werd. Hij gaf mij in elk geval groen licht. En toen ik aan de slag gegaan.

Hoe ga jij dan te werk?
Ik probeer zoveel mogelijk in zijn buurt te verkeren. Daar komt het eigenlijk op neer. Ik ben niet een schrijver die alleen maar met mensen praat. Het liefst observeer ik ze. Ik zeg altijd tegen mijn onderwerp: je hoeft niks te doen, alleen mij een beetje in je omgeving dulden. Ik wil gewoon met je meelopen in je leven. Dat hoeft helemaal niet spectaculair te zijn. Ook als je de vuilniszak buiten gaat zetten, wil ik bij wijze van spreken mee. En die observaties, gecombineerd met interviews, vormen de basis voor een boek.

Heb je dan een recordertje bij je of schrijf je veel op?
Lange gesprekken neem ik op en soms schrijf ik iets op een papiertje. Maar er zitten heel veel uren, heel veel dagen zelfs bij dat je eigenlijk niets opschrijft en je dingen meemaakt die uiteindelijk niet in het boek komen. Maar het is dan toch goed om samen te zijn en je alleen al iemands manier van praten proberen eigen te maken. Hoe meer tijd ik kan besteden met mijn onderwerp, hoe beter het boek wordt. Daar ben ik inmiddels wel achter.

Merk je dat degene die je volgt op een gegeven moment vergeet dat jij er bent?
Dat ligt natuurlijk heel erg aan de hoofdpersoon. René en ik kenden elkaar al redelijk snel vrij goed, omdat ik ook eindredacteur was van het tv-programma waar hij in zat. En René is een makkelijke jongen. We klikten goed met elkaar. Spraken een beetje dezelfde taal. Hadden min of meer dezelfde humor. Bij mijn boek over Wim Kieft was dat anders. Wim was dus negentien jaar verslaafd geweest aan coke en alcohol. Hij had besloten dat verhaal aan mij te vertellen en dat ging in het begin wel weifelend. Wij kenden elkaar ook nauwelijks, hadden niet langer dan twee, drie minuten met elkaar gesproken voordat we aan het boek begonnen. En opeens moet iemand dan zijn diepste zieleroerselen blootgeven. Dat is wel even een drempel. Maar Wim zei ook na een gesprek of vijf, zes tegen mij: ik heb er nog eens over nagedacht en ik ga jou gewoon alles vertellen. Dan maak je er maar een mooi boek van. Dus Wim was ook heel open. Hij gaf me het password van zijn email-box. En ik had nog net niet zijn huissleutel. Maar dat scheelde heel weinig.

Van René van der Gijp is bekend dat hij elke dag urenlang voetbal kijkt. Zit jij daar dan bij?
Nee. Dat was bij het begin van het eerste boek het probleem: ik bleek iemand te volgen die de hele dag horizontaal op een bank naar Watford tegen Leicester City zit te kijken. En toen dacht ik: hoe moet ik daar in godsnaam 350 pagina's van bakken? Maar ook toen gebeurde er iets ingrijpends in zijn leven, want toen kreeg hij die burn out en verdween hij maandenlang van het televisiescherm. Daardoor kreeg ik bijna automatisch een spanningsboog in de schoot geworpen. Want ik had zijn opkomst meegemaakt en zijn populariteit werd rond het WK in 2010 waanzinnig. Daar ging hij bijna aan onderdoor. En ik maakte ook zijn wederopstanding weer mee. Dan heb je automatisch een soort lijn in het boek en dan hoef je niet de hele dag naast hem op de bank naar voetbal te kijken.

En zo is ook dit boek naar omstandigheden geschreven. Met als grote knikpunt het telefoontje, waarin je hoort dat zijn vriendin is overleden. De moeder van zijn jongste zoon, met wie hij overigens niet samenwoonde. Hij zegt daar zelf over: ik leidde een vrij nutteloos bestaan, ik keek wat naar voetbal en kletste daar wat over en daar krijg ik dan geld voor. Eigenlijk had mijn leven niet zoveel zin. En dan opeens krijgt hij een heel andere rol. Dat is een enorm knikpunt in het verhaal....
Ja, het valt al niet mee om een deel twee over iemand te schrijven. Dat merkte ik gelijk al. En om dan driekwart van het oorspronkelijk deel twee weg te gooien en weer opnieuw te beginnen, was helemaal lastig. Ik dacht: hoe moet ik dat nou aanpakken? En ik heb er eigenlijk voor gekozen om een soort dagboek te maken van zijn leven. Zijn oude bestaan, waarin alles is gericht op comfort en het vermijden van zoveel mogelijk vermoeidheid. Wat hem uitstekend afging. Tot dat telefoontje dat alles op zijn kop zet. Waardoor hij eigenlijk een heel nieuw leven krijgt.
Ik was natuurlijk heel erg benieuwd hoe hij daarmee om zou gaan. Ik kan me ook nog herinneren dat we na de crematie van Daniëlle met een groep van zijn beste vrienden zijn gaan eten en dat we toen allemaal onze bezorgdheid hebben uitgesproken voor René en voor zijn zoon Nicky. We hadden iets van: gaat dat allemaal wel goedkomen? Want ja, hij leefde 's nachts in principe en Nicky moet gewoon 's ochtends naar school. Dus wij dachten: hoe gaat hij dat doen? Maar ik ben erg onder de indruk geraakt van de manier waarop hij dat heeft aangepakt.

Zie jij dat wat er gebeurd is als een geluk bij een ongeluk?
Dat vind ik te zwaar uitgedrukt. Ik had het tweede boek eigenlijk liever niet op deze manier geschreven. Want dan was Daniëlle er nog gewoon geweest. Maar René heeft nu wel een andere kant getoond van zichzelf. En hij ziet zelf ook wel de waarde in van het feit dat hij Nicky nu de hele dag om zich heen heeft. Die twee gaan - voor zover ik het kan beoordelen - uitstekend met elkaar om. Ik zie ze altijd lachen. En ze hebben troost gevonden in het voetbal. Nicky is een soort kleine René aan het worden. Dat was hij al een beetje, maar nu helemaal. Hij weet ook alles van voetbal. Zij kunnen úren praten over de linksback van Aston Villa. Dat is geen enkel probleem. In het begin moest ik daar ook aan wennen. Want het was vrij snel na de gebeurtenissen dat hun onderlinge gesprekken weer over voetbal gingen. Eerst dacht ik: dat is wrang. Of vreemd. Maar later vond ik: daar is eigenlijk niks mis mee. Andere mensen vinden hun troost in hun hondje, in alcohol of in religie. En zij vinden het in voetbal. Dat is lekker voor ze.

Aan het einde van het boek vertel je René dat het klaar is. En dan zegt hij: ik weet niet of ik het ga lezen. Net als het eerste deel.
Het feit dat hij dit niet gaat lezen heeft toch een andere reden. Het is hem nu allemaal nog een beetje te vers. Hij heeft gezegd dat hij het in december op zijn gemak tot zich gaat nemen. Dat snap ik ook wel. Ik denk dat het heel confronterend is voor hem.

Woensdagmiddag wordt het boek gepresenteerd in de Rotterdamse Harbour Club. Dan is de volgende vraag aan een schrijver altijd: wat zijn de nieuwe plannen? Dinsdagavond was jij te gast in De Wereld Draait Door en toen bleek dat je een boek wilt schrijven over dat programma...
De waarheid is dat ik al bezig ben met een ander project. Ik zou wel een boek willen maken over Rob Jansen, de zaakwaarnemer. En daar ben ik ook al aan begonnen. Maar ik zat inderdaad met René op dat wachtbankje bij De Wereld Draait Door en toen zei René: het is ook wel een gebeurtenis, dit programma, hè? Hij is een enorme fan en kijkt het soms drie keer achter elkaar, 's nachts. En toen zei ik tegen hem: dit is het ultieme programma om een boek over te maken. Meer hebben we niet tegen elkaar gezegd. Maar eenmaal aan de tafel bij Matthijs bracht René dat opeens ter sprake.



Hoe is dat verder gegaan achter de schermen?
Matthijs zei: ik voel me ook wel vereerd, want ik ben een fan van je. Maar hij vond Topshow over het voetbalprogramma van VI wel een meedogenloos boek. Daar was ik het niet mee eens. Ik vind niet dat ik meedogenloze boeken schrijf. Hij was de eerste die dat tegen mij zei. De meeste mensen zeggen juist dat ik heel veel compassie heb met mijn hoofdpersonen. Dus ik heb geprobeerd hem een beetje gerust te stellen. Mijn uitgangspunt bij elk boek is dat niet alleen ik tevreden moet zijn over het eindresultaat, maar ook de geportretteerde. Dus dat zou ik in geval van De Wereld Draait door ook willen.

De Wereld Draait Door staat wel bekend als het programma dat niet graag pottenkijkers toelaat...
Het heeft iets van een sekte en dat maakt het alleen maar interessanter om eens achter de schermen te kijken. De redacteuren keken mij ook allemaal wat schichtig aan gisteravond. Waarna ik als grapje riep: alles wat je nu zegt, kan tegen je worden gebruikt. Maar ik wil wel een keer serieus met Matthijs en eindredacteur Dieuwke om de tafel. Het moet ook een beetje van twee kanten komen, zoiets. Ik heb natuurlijk ontzettend geluk gehad met hoofdpersonen als Gijp en Kieft, Johan Derksen en de mannen van VI bij Topshow. Die hebben mij alle ruimte gegeven.

Maar waarom zou je zo graag over De Wereld Draait Door schrijven?
Dat programma is een fenomeen. Iedereen die er toe doet op een bepaalde dag, komt daar naar toe. Het lijkt me dat je daar alleen maar hoeft te gaan zitten en de gekte komt vanzelf op je af als schrijver. Ik sluit ook niet uit dat dit Matthijs zijn laatste jaar is. Dat zou ook een mooie aanleiding zijn. Al die dingen bij elkaar maken mij wel enthousiast.

Het zou voor jou ook een stap buiten je comfortzone zijn. Want je bent natuurlijk een voetbaljournalist...
Ik beschouw mezelf helemaal niet zo als voetbaljournalist. Ik zie mezelf niet eens meer als journalist. Ik schrijf alleen nog maar boeken en ik ben ook helemaal niet zo'n voetbalfreak als wel eens wordt gedacht. De boeken die ik heb geschreven zijn ook geen typische voetbalboeken. In mijn nieuwste boek over René speelt voetbal een rol als troost. Maar het is niet de hoofdmoot. Dat was bij Kieft ook niet zo. Ik ben er misschien ook wel aan toe om een keer iets buiten het voetbal te doen.



Meer over dit onderwerp:
Nieuws
Deel dit artikel:

Reageren