Rijnmond Staat Stil bij jongemannen in de oorlog

Naarmate de Tweede Wereldoorlog verder achter ons ligt, neemt het aantal ooggetuigen logischerwijs af. De laatste jaren zijn het vooral de kinderen van toen die hun verhaal doen. Zij waren nog jong toen de bommen op Rotterdam vielen, de Duitse soldaten door de straten marcheerden.

Voor velen betekende het dat zij in een paar jaar volwassen werden. Getekend door de bezetting. In deze Rijnmond Staat Stil de verhalen van twee jongemannen, die van de een op de andere dag werden weggerukt uit hun vertrouwde omgeving.

Vlaardinger Andries ter Brugge(94) werd gedwongen om naar Duitsland te gaan, om in een fabriek te werken. Wim Dubois(89) verliet Rotterdam-West voor het rustieke Limburgse platteland. Ver van huis moesten zij het ineens in hun eentje en zo jong nog, zien te rooien.

Hun belevenissen zijn heel verschillend. Ter Brugge:"Ik ben een oorlogsslachtoffer."Dubois:"Het was geweldig in Limburg."

Loper

Wim Dubois groeide op in de Doedesstraat in Rotterdam. Een bedrijvige straat, met veel winkels (vier schoenherstellers). De bakker gebruikte de loper (een gladde sleutel die op alle deuren paste) om het brood op de trap te leggen.

Op 10 mei 1940 werd de verjaardag van Wim's moeder gevierd. "Met slingers van strookjes afval uit de drukkerij waar mijn vader werkte." Het was feest en er klonk afweergeschut. "We dachten een militaire oefening. Het bleek oorlog te zijn."

De bommen van 14 mei troffen zijn grootouders, die hun brandende huis moesten verlaten. "Mijn oma vond het verschrikkelijk dat ze de kanarie was vergeten." De ouders van Wim besloten de 13-jarige jongen in de zomervakantie van 1943 naar een veiliger oord te sturen: Limburg.

"Ik vertrok vanaf de Delftse Poort, met een kartonnetje om mijn nek. Daar stond de plaats op waar ik uit de trein moest: Nuth." Bij het plaatsje Swier kwam hij terecht op een boerderij. Vroeg op, hard werken, nauwelijks sanitair. "Maar ik vond het er geweldig. Die wuivende korenvelden. Die vrijheid. Je merkte niets van de oorlog. Er zaten ook geen Duitsers."

Wim kreeg ook gevoelens voor de 14 jaar oudere Tonia. "We waren gek op elkaar. Als het vroor kropen we gezellig bij elkaar in bed."

Soldaten

De idylle werd verstoord in de loop van 1944. Wim verbleef weer tijdens een vakantie in Swier maar het geallieerde front was naar Limburg verschoven. "Nu zagen we wel Duitse soldaten. Mijn vader vond dat ik terug naar Rotterdam moest komen, maar ik wilde eigenlijk niet. Ik had het er zo naar mijn zin."

Na de oorlog ging Wim Dubois alsnog, maar met pijn in het hart. Tonia liet hij achter, hij trouwde uiteindelijk met Suze. Onlangs keerde hij terug in Limburg, voor de presentatie van zijn boek Verlangen naar Swier. Hij is ereburger geworden van het dorp.

Zo enthousiast als Dubois kan vertellen over zijn oorlogsjaren, zo pijnlijk vind Andries ter Brugge het om zijn lot als dwangarbeider te verwoorden. In 1942 was hij zijn vader verloren door bloedvergiftiging. Andries werd in één klap de man in huis. Zijn baan in Arnhem moest hij opgeven toen ook hij op de trein werd gezet: naar Oberhausen.

Ter Brugge kwam op het kantoor van de firma Babcock te werken. De contacten met Duitse collega's waren hooguit zakelijk. Het eten was verschrikkelijk. De hygiëne nog problematischer.

"Gedragen door de luizen kon ik gelukkig uit het kamp waar we zaten naar een particulier huis. Er zat geen dak op: elke avond keek ik vanuit bed naar de sterrenhemel."

Onderaards

Net als de andere steden in het Ruhrgebied lag Oberhausen voortdurend onder vuur van de geallieerden. "We schuilden in de Stolle, onderaardse gangen van de mijnen. Het is schrikwekkend. Duizend vliegtuigen is veel hoor."

De Duitse capitulatie betekende een bijzondere wending voor Andries ter Brugge: hij werd tolk voor het Amerikaanse leger.

Zijn schets van de naoorlogse weken is die van chaos, anarchie. "Boerderijen moesten beschermd worden tegen plunderingen. Vrouwen namen potdeksels als zij werden verkracht door het Russische leger. Iedere nacht hoorde je dat lawaai."

Zijn thuiskomst in Nederland was een bittere pil. "Het huis was leeggestolen. Ik had niets. Twee onderbroeken en een Amerikaans uniform."

Kostwinner

Hij vindt het een emotioneel onderwerp: hoe Nederland de terugkerende dwangarbeiders heeft behandeld. "Ik vind dat ik een oorlogsslachtoffer ben, maar ik heb nul-komma-nul vergoeding gekregen. Er klonken verwijten: 'waarom ben je niet ondergedoken?...' Maar dat kon niet. Ik was kostwinner. Als ik ondergedoken was, hadden mijn moeder en broer geen geld gehad."

Andries ter Brugge is de afgelopen jaren meermalen naar Duitsland gegaan om zijn ervaringen te delen, vooral met jongeren. Hij staat vermeld in de Gedenkhalle in Oberhausen. Dit jaar verschijnt er een wetenschappelijk uitgaven over de Arbeitseinsazt, waarin zijn verhaal is opgenomen.

Hij zou het goed vinden, als er in Nederland ook genuanceerder wordt aangekeken tegen het lot van de dwangarbeiders. "Ik hoop dat het ergens de bel doet rinkelen en dat het gehoord wordt."

De interviews met Wim Dubois en Andries ter Brugge zijn te beluisteren door bovenaan op de blauwe tegel te klikken.

 

Meer over dit onderwerp:
rijnmondstaatstil
Deel dit artikel: