Het verhaal van Kaatje Pijpeman, één van de 261 slachtoffers van de razzia van 26 februari 1943

Kaatje Pijpeman was twaalf jaar oud toen ze op 5 maart 1943 werd omgebracht in vernietigingskamp Sobibor. Een paar dagen daarvoor was ze door de Duitsers meegenomen bij een razzia in Rotterdam.

Die razzia vond plaats op 26 februari 1943. Op één dag werden het Joods bejaardenhuis aan de Claes de Vrieselaan, het Joods ziekenhuis aan de Schietbaanlaan en het Joods weeshuis aan de Mathenesserlaan leeggehaald. Tweehonderd bewoners en patiënten en 61 personeelsleden werden weggevoerd.

Een paar dagen later waren de meeste van hen dood, ze werden vermoord in Sobibor. De razzia van 26 februari 1943 was een geplande actie van de Duitsers, weet Louisa Balk van het Stadsarchief Rotterdam: “Voor die tijd werden bijvoorbeeld alle Joden die een ander ziekenhuis lagen, hierheen overgeplaatst. Zodat ze in één actie, alles op één dag, om geen onrust te wekken. Heel welbewust is dat zo gedaan.”

Plaquettes

De poort van het Joods ziekenhuis is nog altijd te vinden aan de Schietbaanlaan. Naast de poort hangt een plaquette: ‘Door deze poort werden op 26 februari 1943 zieken, bejaarden en verplegers naar buiten gedreven door de Duitse bezetter’.

Het Joods weeshuis was gevestigd aan de Mathenesserlaan 208. Het gebouw bestaat niet meer. Wel hangt er een plaquette op het pand dat nu op die plek staat: ‘Hier stond het Israëlietisch weeshuis, in gebruik genomen in 1898 en op 26 februari ontruimd door de Duitse bezetter’.

Ook op de Claes de Vrieselaan even verderop is een plaquette aangebracht: ‘Op deze plaats stond het gesticht voor Israëlietische oude lieden’.

Kaatje Pijpeman

Kaatje Pijpeman was dus één van de 261 slachtoffers van de razzia van 26 februari 1943. Zij was op een week na zes jaar oud toen ze in het weeshuis terechtkwam, samen met haar oudere zusje Lena. De twee meisjes hadden twee oudere broers en een oudere zus. Hun vader was in 1935 overleden en hun moeder was opgenomen in het Apeldoornsche Bosch, een Joodse psychiatrische inrichting.

Het archief van de Nederlands Israëlitiesche Gemeente in Rotterdam is opgenomen in het Stadsarchief. Daar is ook een dossier te vinden over Kaatje Pijpeman in het weeshuis aan de Mathenesserlaan. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat oudere broer Abraham heeft geprobeerd voor zijn zusjes te zorgen, maar hij had er geen geld voor.

Brieven

Een oom in Amsterdam leek de meisjes in huis te willen nemen, maar hij haakte af. Ook zijn brieven zijn opgenomen in het dossier. De directeur van het van weeshuis probeerde van bij de Dienst voor het Maatschappelijk Hulpbetoon een financiële bijdrage te krijgen voor de verpleging, zoals het werd genoemd, van Lena en Kaatje.  Hij schreef: “Gezien de toestand van het gezin en de hoogst gebrekkige verzorging der beide jongste meisjes, zou ik beleefd willen vragen om een bijdrage in de eventuele verpleegkosten. Indien u namelijk hiertoe zou kunnen besluiten, dan zal ik ernstige stappen doen bij het college van regenten ten einde de kinderen in onze inrichting geplaatst te krijgen.

Zenuwarts

Nadat Kaatje in het weeshuis was geplaatst, werd zij getest door een zenuwarts. Ook zijn rapport over het meisje is te vinden in het dossier bij het Stadsarchief: “Ik heb de intelligentie van Kaatje Pijpeman onderzocht, het IQ is 94. Dit betekent dat ze volkomen normaal geacht moet worden, zij het dat ze niet tot de begaafsten behoort.

Ook zit er een brief van oudere zus Rachel in het dossier. Zij wilde haar twee zusjes in het weeshuis graag bezoeken maar kon vanwege haar werk niet op de vaste bezoekdag zaterdag. Zij schreef aan de directeur van het weeshuis: “Ik wil graag de reden weten dat ik niet op bezoek mag komen bij mijn zusjes. Daar het zaterdag bezoekdag is, maar ik door mijn werkomstandigheden niet daar kan komen, heb ik aangevraagd of ik op zondag mijn zusjes mag bezoeken. Maar toen werd mij meegedeeld dat de kinderen geen bezoek nodig hebben. Waar ik als oudste zuster toch wel recht op heb, daar zij niet anders hebben dan een moeder die in het Apeldoornsche Bosch verpleegd wordt.”

Omgebracht in kampen

Van de leden van het gezin Pijpeman overleefde alleen Abraham de Tweede Wereldoorlog. Rachel werd in augustus 1942 in Auschwitz omgebracht. Moeder Rebecca werd bij de ontruiming van het Apeldoorsche Bosch door de Duitsers weggevoerd. Zij werd op 25 januari 1943 in Auschwitz vermoord. In juli 1943 stierf oudste broer Joseph in Sobibor.

Op 5 maart 1943 overleed Kaatje in Sobibor. Lena werd op 13 juli 1943 vanuit Westerbork naar Sobibor overgebracht. Drie dagen later was ze dood. Abraham overleefde door als verstekeling op een schip naar Amerika te gaan. Hij kwam na de oorlog terug naar Nederland en trouwde in 1952 en kreeg een dochter die hij naar zijn moeder noemde: Rebecca.

Joods Kindermonument

Deze Rebecca was aanwezig bij de onthulling van het Joods Kindermonument op de Kop van Zuid in Rotterdam. “Het was heel bijzonder dat ze hierbij kon zijn”, zegt Louisa Balk van het Stadsarchief.

Kaatje Pijpeman is één van de 686 namen op het Joods Kindermonument. Op dat monument staan de namen van alle kinderen tot 12 jaar die vanuit Rotterdam zijn gedeporteerd. Het Joods Kindermonument staat naast de herdenkingsmuur van Loods 24.

Vanuit Loods 24 zijn op 30 juli 1942 de deportaties begonnen van Joodse Rotterdammers. De herdenkingsmuur is een gedeelte van de muur die om het terrein stond.