Dood in het verpleeghuis (1): oorlogsgebied met een onzichtbare vijand

Rijnmond-journalist Ingrid Smits zet begin maart nog gekscherend Corona-pils op tafel. Een paar weken later is het lachen haar vergaan. Haar moeder raakt besmet met het verwoestende virus. Een vierluik vanuit het verpleeghuis, waar de oudjes stuk voor stuk omvallen. "Als steentjes op Domino Day."

"We nemen je moeder mee in een bodybag. Wist je dat?" 
Voor de kamer in het verpleeghuis staan zaterdagavond rond middernacht twee mannen op leeftijd. Ze dragen een wit schort, een bril en plastic handschoenen. "Gecondoleerd", zeggen ze vanachter hun mondkapje.

Een paar uur eerder is mijn moeder Nelly (80) bezweken aan het coronavirus. Haar strijd tegen de sluipschutter heeft twee weken geduurd. Bij een 'normale' dood zou ze opgebaard blijven in haar vertrouwde kamer. Maar corona maakt alles anders.

Wegens besmettingsgevaar moet ze nu zo snel mogelijk het verpleeghuis uit. Er is een rouwwagen gearriveerd. De chauffeur en zijn bijrijder zullen haar meenemen naar een steriel mortuarium. 
  
Na haar laatste ademtocht heeft een verzorgster een opgerolde handdoek onder de kin van mijn moeder gelegd, zodat haar mond niet openvalt. Ook zijn haar handen in vredige ruststand op haar buik gepositioneerd. Meer mag de verzorgster – tot eigen verdriet en frustratie – niet doen. Coronaprotocol. Ze had mij graag een troostende knuffel willen geven, zegt ze. Maar ook dat is not done. Het virus zet keihard een knipmes in normale vormen van medemenselijkheid.

'Blijf maar op de gang'

"Bodybag? Nee, dat wist ik niet", stamel ik tegen de mannen bij de gereedstaande brancard. Iemand had me iets verteld over een donker kleed. Maar mijn moeder moet dus in een zak. "Blijf maar op de gang", zegt één van de heren. "Want het ziet er niet leuk uit als we haar daar in doen."

De mannen maken aanstalten om de kamer binnen te gaan. Dat voelt te overdonderend. Ik wil nog even afscheid nemen, voordat mijn moeder achter de lange rits verdwijnt. Dat mag. Een schamele minuut staar ik naar het broze mensje in het bed. De vrouw die mij baarde, opvoedde en met liefde overgoot, is geen schim meer van wie ze ooit was. Wat is ze mager. Gesloopt. "Dag mam."

Goeie grap 

Tijdens de momenten dat ik aan haar sterfbed zat, heb ik vaak teruggedacht aan mijn verjaardag, op 4 maart. Die avond komen vrienden langs voor een borrel en begroet iedereen elkaar met een ferme hug. We zitten dicht opeen, lachend rond een grote tafel met bier en wijn. Eén van de merken die we consumeren? Corona! Toen ik de flesjes in mijn boodschappenkarretje zette, vond ik dat wel een goeie grap.
Het virus? Dat is begin maart nog ver weg. Een ongevaarlijk stipje aan de horizon. Probleem van Chinezen rond Wuhan en een enkele onfortuinlijke Brabander.

Twee dagen later valt in Nederland de eerste officiële coronadode. Waarna de premier een lange reeks maatregelen afkondigt. Handen wassen en niet meer aan elkaar geven. Afstand houden. Samenscholingsverbod. Thuiswerken. Scholen, kappers en horeca dicht. Verpleeghuizen op slot. De lijst is lang en iedereen kent 'm. We moeten 'de kwetsbaren' beschermen, zegt Rutte. "En groepsimmuniteit kweken."

Ook ik sluit me aan bij het leger der thuiswerkers en maak vanachter de tafel, waar eerder nog het Corona-pils op stond, berichten voor de website van Rijnmond. Mijn andere job – gedragstraining voor paarden – gaat noodgedwongen volledig in de lockdown. Vreemd volk mag niet meer op pensionstallen komen. 

Moeder veilig in verpleeghuis

Als internetteam van Rijnmond tikken we onze vingers lam. Het nieuws over het oprukkende virus domineert. Eén van de verhalen die me bijblijft, is het portret dat ik schrijf over een herstellende coronapatiënt.

Een man van achter in de veertig. Sportinstructeur én verpleger, nota bene. Op de radio vertelt hij met gebroken stem hoe corona hem finaal onderuit haalde. "Ik ben nog nooit zo ziek geweest." En: "Ik voelde me net zo zwak als een vogeltje voor de poes."

Ik leef in de waan dat mijn moeder, die als Alzheimerpatiënt al jaren in een verpleeghuis woont, veilig is. Op bezoek mag ik niet meer, maar op 28 maart zie ik dat het hartstikke goed met haar gaat. Een medewerker loopt die dag met een iPad rond, zodat we kunnen videobellen. "Kijk, daar is Ingrid", zegt ze, wijzend naar het scherm.
"Echt waar?", reageert mijn moeder. Vrolijk lachend zit ze in haar stoel. "Je krijgt een dikke kus van ons", zeggen mijn dochter en ik. "Krijgen ze nog een kus terug?", probeert de zorgmedewerkster.

Mijn moeder buigt naar voren en drukt haar lippen richting het beeldscherm. "Zo lief", koeren wij vanaf onze bank in Rotterdam. Het zal het laatste gesprek zijn dat we met (o)ma hebben. Maar dat weten we dan nog niet.

Strikte isolatie 

Exact een week later ligt mijn moeder met zuurstofslangen in haar neus in bed. Op haar kamerdeur is een plakkaat bevestigd: "Strikte isolatie (verdenking) corona."

Ik mag een uurtje langskomen, omdat vermoed wordt dat het virus haar wel eens fataal kan worden. Zestig minuten bij je moeder, die waarschijnlijk snel doodgaat. Coronaprotocol. Het is heftig, maar iets is beter dan niets.

Als ik het verpleeghuis binnenkom, zie ik in de hal een kring van medewerkers. Sommigen dragen schorten, anderen niet. "We doen hier de overdracht", legt iemand uit als ze me verwonderd ziet rondkijken.

Ook het personeel moet onderling afstand houden en kan voor het uitwisselen van informatie niet meer terecht in het krappe kantoortje, even verderop. In het huis is alles anders geworden. Onverhoopt stap ik een soort oorlogsgebied binnen, waar gevochten wordt tegen een onzichtbare vijand.

Eén van de medewerksters reikt me mijn beschermende uniform aan: een schort, een soort ski-bril, handschoenen en een mondkapje. "Doe die maar uit", adviseert ze over de trui die ik draag. "Want het is hartstikke warm onder zo’n schort."

Dat blijkt. En ook zo’n mondkapje werkt, zo ontdek ik, allesbehalve verkoelend. In mijn corona-uniform zit ik roerloos bij het bed. Hoe anders moet dat zijn voor het personeel, dat in dit tenue moet werken? "We zweten ons rot", zegt de medewerkster.

Fles met zuurstof 

"Moesje toch…", is mijn eerste reactie als ik mijn moeder zie. Ze ligt op haar zij en ademt zwaar. Naast het bed staat een fles met zuurstof. Er lopen slangetjes naar haar neus. "Het zuurstofgehalte in haar bloed was 82", vertelt de verzorgster. Dat is niet best. Scores onder de 95 zijn levensbedreigend, leer ik via Google.

Ik pak mijn moeders slappe hand en leg die in de mijne: geel-grauwe huid op blauw latex. Het is het meest intieme dat mogelijk is in deze tijden. Mijn moeder omklemt mijn vingers alsof ze een pasgeboren baby’tje is. Ik zie deels afgebladderde, rode nagellak. Het heeft er alle schijn van dat ze in haar ontbering heeft liggen kluiven.
De verzorging heeft een hondje bij haar in bed gelegd. Een pluchen pleister tegen de eenzaamheid. Want afgezien van dit uurtje bezoek heeft niemand tijd om bij haar te zitten. In het verpleeghuis is het permanent spertijd.

Mondkapje op je bakkes

Ik heb dorst en loop naar het aanrecht voor een glaasje water. Met het glas in mijn hand kom ik tot een rare ontdekking. Hoe drink je water met een mondkapje op je bakkes? Het glas gaat terug de kast in.
Ik pak mijn telefoon en maak in de antieke spiegel van mijn moeder een foto van mezelf. Het is nooit mijn ambitie geweest om op een operatiekamer te werken, maar ik zie er nu wel zo uit. "Deze crisis is historisch", besef ik. "Laat ik het maar documenteren."

Tekst gaat door onder de foto

Afbeelding

Ik ga weer naast het bed zitten. De klok tikt door. Ik vertel mijn moeder alles wat er nog gezegd moet worden. Hoeveel ik van haar hou, wat ze voor me betekend heeft, dat ik er trots op ben haar dochter te zijn. Al mijn liefde, gecomprimeerd in wat mogelijk het laatste uurtje samen is. 

Ik leer dat het gehoor één van de laatste zintuigen is dat uitvalt. Als iemand niet meer reageert op wat je zegt, betekent dat dus niet dat ze je niet meer hoort. Mijn moedertje heeft de kracht niet meer om te praten. Ze is een zwak vogeltje en het is wachten of er een poes verschijnt. 

Bij het afscheid druk ik vanachter mijn mondkapje een ferme kus op haar wang. "Vandaag is sluipschutter corona heel close gekomen", schrijf ik later op Facebook.

Eén bezoeker

Mijn dochter is deze zaterdag meegegaan voor de morele steun. Zij mag het verpleeghuis niet in, want per persoon is er maar één bezoeker toegestaan en dat moet steeds dezelfde zijn.

Ik ben enig kind en mijn vader is ruim twintig jaar geleden gestorven. Dus wie van ons het privilege krijgt, is een simpele zaak. Maar in andere families leidt de vraag wie naar moeder of vader mag soms tot hevige strijd, hoor ik van een verzorgende.

In het dorpje waar het verpleeghuis staat, komen gezinnen voor met acht kinderen. Waar de één zich zal beroepen op het recht van de oudste, zal de ander inbrengen dat hij de laatste tijd toch het meest naar ma heeft omgekeken. Kom daar met zijn allen maar eens uit. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik deze discussie in elk geval niet hoef te voeren.

Tekst gaat door onder de foto

Afbeelding

Mijn dochter heeft voor het verpleeghuis op me gewacht en vanuit de auto een foto gemaakt. "Ik loop nu naar het raam om naar je te zwaaien", had ik haar geappt.

"Heftig!", reageren vrienden als ze de foto zien. Ik ben er zelf ook beduusd van, eigenlijk. In wat voor horrorscenario ben ik - hoegenaamd humoristische consument van Coronapils op mijn verjaardag – luttele weken later terechtgekomen?

Maandag deel 2 van dit vierluik: Hoe houd je de hand van een stervende vast op anderhalve meter afstand?

Meer over dit onderwerp:
Nieuws coronavirus
Deel dit artikel: