Alternatieve herdenking razzia: Aboutaleb krijgt kippenvel van verhaal slachtoffer

Rotterdammer Piet Laban is 18 jaar als hij op 10 november 1944 wordt weggevoerd. De Duitse bezetter haalt in twee dagen tijd zo'n 52 duizend mannen van 17 tot 40 jaar weg uit Rotterdam. Ze moeten werken in Duitsland.

De razzia wordt elkaar jaar herdacht in de Kuip in Rotterdam. Dat is één van de plekken waar de mannen vanuit de hele stad werden verzameld. Van daaruit werden ze met treinen of schepen naar verschillende plaatsen in Duitsland gebracht. 

Burgemeester Aboutaleb is elk jaar bij de herdenking aanwezig. Vanwege de coronamaatregelen is er dit jaar geen samenkomst. "We worden door een onzichtbare vijand verhinderd", stelt hij. Piet Laban wordt daarom ontvangen op het stadhuis en vertelt zijn verhaal over de razzia.

Kijk hier naar het gesprek met Piet Laban en burgemeester Ahmed Aboutaleb. Verhaal gaat verder onder de video.

Adembenemende stilte

Het verhaal van Piet Laban (nu 94) begint als in november 1944 's morgens naar zijn werk wil gaan. Maar dat kantoor zal hij nooit bereiken. Er wordt aangebeld. Een Duitse soldaat met een geweer op zijn arm sommeert hem - "Raus!" - om mee te komen. "Ik had zelfs niet de tijd om mijn jas aan te trekken. Ik kon nog net een oude jas van mijn vader pakken. Daarmee ging ik de straat op."

Via een verzamelplaats in de wijk moet Laban met duizenden andere mannen naar het Feyenoordstadion. "Mijn moeder kwam me nog achterna lopen met een tas met wat spulletjes: een stelletje ondergoed, een baddoek, een stukje zeep, een pannetje en een lepel. Dat was alles wat ik had." 

"In het stadion stonden al duizenden mannen op het veld. Het was er adembenemend stil", weet Laban nog goed.  "Op iedere hoek van de tribune stonden mitrailleurs. Er werd niet gesproken, er werd niet geklaagd. Iedereen was murw."

Burgemeester Aboutaleb luistert ademloos naar het relaas. "Ik krijg er kippenvel van."


"Toen het donker werd", gaat Laban verder, "mochten we naar binnen. Naar de kantine van het stadion. We waren amper binnen of we werden er weer uitgejaagd. We moesten naar het station, tussen een rij door van Duitsers met honden. De goederenwagons die daar stonden, waren veewagens. De mest van paarden lag er nog in. We stonden er rechtop in, met veertig à vijftig personen. Er werd ons niets verteld. Ik voelde me heel rot, heel eenzaam."

Nare toestand

"Er gingen geruchten dat we naar Polen zouden gaan. Dus toen wij na de derde dag uit de wagons stapten, dachten we dat we in Polen waren. Maar we waren in een klein, Duits plaatsje: Neuenkirchen, net over de grens bij Enschede. We werden ondergebracht in een klein kleuterschooltje en sliepen op de grond, in het stro."

"De volgende ochtend was er om 05:00 uur een appèl en moest we naar het land. Daar moesten we verdedigingswerken graven om de geallieerden tegen te houden. Twaalf uur per dag. Het was een nare toestand. Ik had nog nooit een pikhouweel in mijn handen gehad."

"Als je om 17:00 uur klaar was, kreeg je in het dorp wat te eten. Meestal soep met wat brood en een stukje worst. Daar moest je het ook de volgende dag nog mee doen. Daarna kwamen we weer in het schooltje terecht en kon je weer op de grond gaan liggen." 

Heimwee

"Mijn familie wist niet waar ik was. We mochten ook niet schrijven. Terwijl ik heel erg heimwee had. Ik wilde naar huis. Maar je was overgeleverd aan die soldaten en had niks te vertellen."

"Op Kerstavond was ik ziek. Ik lag alleen in een barak. De andere jongens waren allemaal ergens naar een kerk gegaan. Ik heb toen plannen gemaakt om er vandoor te gaan. Ik had met een andere jongen verzonnen dat we onze brillen kapot zouden maken. En die zouden we dan in Enschede laten repareren. Dat is gelukt. We kregen een benodigd pasje van de dokter. Er werd wel gedreigd: als we na twee dagen in Enschede niet terug zouden komen, zouden we worden geknuppeld en naar een strafkamp moeten."

Ook gewone jongens

"Toen ik op Nederlandse grond stond, besloot ik: ik ga nooit meer terug naar Duitsland. En toen is het gelukt om via een Rode Kruispost in een trein te komen, die naar Den Haag ging. Een trein met zwaargewonde Duitse soldaten. Daar lag ik tussen."

Laban balt even zijn vuist en zegt met vochtige ogen: "En toen realiseerde ik me dat het ook gewone jongens waren. Van achttien, negentien jaar. Die lagen daar met verband en spalken. De man van het Rode Kruis had gezegd: je moet niet praten, je gaat er tussen liggen en slapen. Toen ik wakker werd, waren we in Gouda. Toen dacht ik: nu moet ik er vandoor. Toen ben ik over die jongens heengestapt en eruit gesprongen. En een wonder: er was geen soldaat te zien."

Eenmaal thuis moet Laban onderduiken. Samen met zijn broer gaat hij op de fiets naar Groningen. Hij heeft een vervalst verlofpasje bij zich, waardoor hij onderweg langs de Duitse controles komt. De bevrijding maken de broers mee in Groningen. 

Aan de oorlog heeft Piet Laban geen geestelijke of lichamelijke schade overgehouden, zegt hij. "Of heeft u dat verdrongen?", wil Aboutaleb weten. "Want in dit geprek heeft u een paar keer stevig moeten ademhalen. Heeft u het misschien bewust weggedrukt?"
"Ja", erkent Laban. 
Aboutaleb: "Maar u bent een sterk mens en daarom domineert het niet uw leven."
Laban: "Nee, beslist niet."

Barmhartigheid

Een hekel aan Duitsers heeft Piet Laban niet. Wat dat betreft heeft hij veel gehad aan een uitnodiging van de Duitse stad Dortmund. Als verzoeningsgebaar kwamen koren uit alle steden, die zijn gebombardeerd door de Duitsers, daar naar toe. De bijeenkomst heeft hem ontroerd. "We zijn daar ontvangen als vorsten. Toen de uitvoering er was, deed dat me zoveel dat ik niet mee kon zingen. Het was een mooi gebaar van Duitsland. De verzoening. En dan moet je ook verder kunnen met elkaar." 
Aboutaleb knikt. "Schuld erkennen en daarna volgt barmhartigheid."
Laban: "Ja, dat is toch de weg?"

Burgemeester Aboutaleb sprak de gemeenteraad toe over de razziaherdenking

Deel dit artikel: