Kritiek op socialemediastrategie van politie Rotterdam: 'Taalgebruik is denigrerend'

De strategie van de politie in Rotterdam op Twitter, Facebook en Instagram is nog steeds niet op orde, vindt Stephan Leewis van GroenLinks Rotterdam. Hij heeft het Rotterdamse college om tekst en uitleg gevraagd over het socialemediabeleid van de politie, naar aanleiding van een Facebookbericht van begin deze maand.

Het bericht, dat later door de politie werd verwijderd, sprak over een verdachte die na zijn vlucht voor de politie 'tussen twee vuilnisbakken trillend in de foetushouding lag te wachten tot het doek voor hem zou vallen'. De verdachte was buiten tijdens de avondklok, rende weg en schold de agenten uit, waarop ze zijn deur aan 'gruzelementen' forceerden.

De verwijderde Facebookpost van de politie Rotterdam.

Afbeelding

"Ik vind het onacceptabel dat een ogenschijnlijk officieel bericht van de politie zo gepubliceerd wordt", zegt Stephan Leewis. "Als je het bericht zo leest, lijkt het niet direct op het ooggetuigenverslag van een agent in functie. Het lijkt te gaan over een licht vergrijp, maar als je daarna leest hoe er over de verdachte gesproken wordt, lijkt me dat niet bijdragen aan het beeld van een betrokken politie."

Frank van der Schee, straatadvocaat in Rotterdam, ziet in zijn werk ook spanningen in de manier waarop de politie communiceert. Hij werkt veel met dak- en thuislozen en sommigen van hen voelen zich een "derderangsburger" door de manier waarop de politie optreedt. "Met het taalgebruik in dergelijke berichten spreekt de politie denigrerend over verdachten. Daar lijkt een soort machtsverhouding in te schuilen, en dat is niet goed voor het imago van de politie op sociale media."

Ongelukkige formulering

Volgens Wim Hoonhout, woordvoerder en coördinator communicatie bij de Politie Rotterdam, gaat het vaker goed dan fout: "Soms worden er wel eens berichten gepubliceerd die ongelukkig geformuleerd worden. Al doende leert men." Volgens Hoonhout wordt alles gedaan om herleidbaarheid van de verdachte te voorkomen, en wordt de privacy van betrokkenen gerespecteerd door de gezichten onherkenbaar te maken.

Hoonhout benadrukt dat de politie op sociale media niet lukraak opereert, maar zich probeert te gedragen zoals dat in het socialemediabeleid van de politie wordt beschreven. Daarin wordt uitgelegd wat agenten wel en niet mogen schrijven op internet, hoe ze gebeurtenissen het beste in beeld kunnen brengen en welke privacygevoelige zaken verwijderd moeten worden. Binnen die richtlijnen is er ruimte voor de eigen invulling van agenten. "Elke agent beleeft een situatie weer anders en vertelt zo zijn eigen verhaal", aldus Hoonhout.

Dat de politie zich denigrerend opstelt of probeert populair over te komen, ontkent hij. In de toon en het taalgebruik van de berichten van de politie wordt wel steeds aangesloten bij het publiek, maar de politie doet dat niet vanwege de lovende reacties die agenten krijgen op de berichten op sociale media.

Verdachten toch vaak herkend

Toch gaat het onherleidbaar maken van verdachten vaak niet goed, concludeert strafrechtadvocaat Frank van Ardenne. "Op basis van de straatnaam, de leeftijd van de verdachte én het feit dat bijvoorbeeld de deur is geforceerd, kan herleid worden wie de verdachte is, zeker door de inwoners van de wijk."

Dit soort  berichten zijn bedoeld als voorlichting, en niet als opsporingsmiddel. "Bij voorlichting is voorzichtigheid geboden: er zijn strenge regels over het tonen van foto’s van de verdachte, en over de manier waarop er over een verdachte wordt gesproken. Hoe dat wordt gedaan, kan zelfs gevolgen hebben voor de rechtsgang." Volgens de advocaat kan een onheuse bejegening op sociale media een reden zijn voor de rechter om een lagere straf op te leggen.

Voor de opsporing van verdachten, zoals de vermeende daders van geweldsdelicten tijdens de avondklokrellen, gelden andere regels. "Daar wordt vaak zorgvuldig overwogen of het publiceren van foto's op sociale media noodzakelijk is." Van Ardenne vindt dat dat bij berichten die geplaatst worden door agenten ook vaker zou moeten gebeuren: "het is goed als we, net als bij opsporingsberichten, goed nadenken over de gevolgen."

Politie heeft vrijheid op sociale media

Stephan Leewis merkt hetzelfde bij de berichten van de politie. "Veel berichten bevatten een straatnaam en een algemene beschrijving van de verdachte of de situatie. Ze krijgen veel vrijheid van de korpsleiding om via sociale media met de burger te communiceren. Waarom wordt het gebruik van sociale media niet centraal gereguleerd?"

Dat er geen centraal orgaan binnen de politie toezicht houdt op het gebruik van sociale media, betekent overigens niet dat ze zich niet aan voorwaarden moeten houden, zegt advocaat Van Ardenne: "Het Openbaar Ministerie heeft hier een duidelijke richtlijn over gepubliceerd. Als agenten zelf bij een situatie betrokken zijn en daarover een artikel plaatsen op sociale media, dan loop je namelijk het risico dat het doorschiet. Het raakt hen vaak persoonlijk, dus het is begrijpelijk dat ze daardoor emotioneel reageren." Hij heeft begrip voor de situatie waar agenten zich regelmatig in bevinden, omdat ze in hun werk heftige dingen meemaken, maar "daarover vertellen op sociale media is in sommige situaties niet gepast."

Centraal beleid

Volgens Leewis en Van Ardenne zou het goed zijn als de politie het gebruik van sociale media meer centraal zou regelen. "Door agenten een socialemediacursus te geven, kun je ook benadrukken wat wel en vooral ook wat niet acceptabel is bij uitingen op sociale media." Leewis denkt dat de politie goed moet nagaan welk beeld ze wil schetsen: "Welk beeld wil je over de politie achterlaten bij het publiek?"

Leewis hoopt binnen vier weken antwoord te hebben op de schriftelijke vragen die hij heeft gesteld aan het college.
 

Meer over dit onderwerp:
Nieuws
Deel dit artikel: