Gedichtendag bij RTV Rijnmond

Donderdag is de landelijke gedichtendag. Ook bij RTV Rijnmond, gedurende de hele dag worden er gedichten voorgedragen. Hieronder het een selectie.
Paul van Vliet uit EEN GAT IN DE LUCHT

DE KAT WEET VAN NIKS

De kat weet van niks
Die ligt achter de kachel
Vadsig en lui en krabt aan z’n oor
Hij rekt zich eens uit
Gaat nog lekkerder liggen
Dan draait hij zich om
En dan slaapt hij weer door.


Jan J. Pieterse uit De kleine Pieterse

DE ONDERWIJSDESKUNDIGE

‘Kleinere klassen oké,
Maar dan ook minder leerlingen!’


Gerrit Komrij uit ALLE GEDICHTEN TOT GISTEREN

HOND


Je wandelt op twee benen van taai-taai
En zingt een kinderliedje van een hond
Waaraan ’t staartje weer wordt aangedraaid,
En die er achteraan loopt in ’t rond.

Je haakt zo niet naar dingen die ze zeggen
Maar gaat een kelder graven in de grond.
Wat zullen we vrolijk zijn. We leggen
Een kaartje en we springen in het rond.

Je wilt toch ook wel eens een veer wegblazen.
Je lacht dat het een aard heeft, maar je mond
Blijft dicht – dan neem je ze te grazen
Door plotseling weer te zingen van die hond

J. Bernlef uit ACHTER DE RUG

HOTELGAST

In iedere hotelgast huist een ander
die, zo gauw alleen, laden en kasten opentrekt
Wat zoekt hij daar?

Hoopt hij dat iets verborgen of
achterbleef: een haarspeld, paperclip,
miniem verhaal, of desnoods
iets dat onklaar geraakt tenminste
wist op een vorige bewoner. Niets
van dit alles (het is een goed hotel)

Hij betaalt voor een kamer die hem weigert
en dat is wat hij zoekt en vindt
in lege ladenkasten: zichzelf



Frans Vogel uit TE GEK MOMENT EN ANDERE GEDICHTEN

Haiku (to end all haiku)

‘Heb je er haar op
of touw? Vind je het lekker?’
‘Ja, nou: reken maar.’


Jan Hanlo uit Verzamelde gedichten


DE MUS

Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp

Tjielp

etc.


Ronald Giphart uit “Poetisch Rotterdam”


(over welke straat gaat dit?)

de straatste straat

Je vriendste vriend, je aapste aap
Je vroegste vroeg, je rustigste rust
Je pilste bier, je rookste rook
Je schorste schor, je drukste druk

Je hoogste hoog, haar mooiste mooi
Je schreeuwste schreeuw, je gelijkste gelijk
Het haatste haat, haar liefste lief
Je verbaasdste verbazing, je verrukste verrukking

Haar lachtste lach, haar borstste borst (2x)
Je gladste glad, je bazelste gebazel
Haar twinkelste twinkel, je laagste laag
je drankste drank, het laatste laat

Je hungkeeste Hung Kee, hun geitste geit
Jullie zwalkste zwalk, de bizarste Bazar
Het matraste matras, haar geilste geil
O, wijfste wijf, mijn witste with .................


Jan J. Pieterse uit De kleine Pieterse

DE MAN

‘Kun je nèt als man
de was doen
en wat hoor je dan?
Dat een kind het óók kan.’


Martin Bril uit Rotterdam / De stad in gedichten

3

Rotterdam is een parkeerterrein
En over parkeerterreinen gesproken
Het parkeerterrein naast New York

Is het parkeerterrein bij uitstek
Al die kinderkoppen keien kasseien
Dat is pas parkeren

En daar kwam ik terecht want waar anders
En nu uren later had ik de blonde vrouw
In mijn armen en ik zoende haar en zij zoende mij
En verdomd haar lippen weken
En haar tongetje kwam te voorschijn

Waarop ik haar aan het lachen bracht
Verlegen lul die ik ben
Verliefd dat wel op haar en
Rotterdam


Anna Enquist uit HIER WAS VUUR


DOCHTER, DOCHTER [III]


Nu bén ik toch thuis zeg je,
wel twee dagen. Ik noem dat
geen thuis-zijn, een benauwd
verblijf is het. Op het bed zit ik
naast je, dat is waar, vandaag
en ook morgen. In de ketelkast
vind ik de kleine schoenen,
de donkerblauwe, maat twee-
en-twintig; sta ik weerloos
te wachten hoewel je beneden nog
bent onder je naam in wat heet
je eigen bed, twee dagen zeg je.


Joke van Leeuwen uit Vier manieren om op iemand te wachten, 2000

PLAZA

Nergens wind. Toch hield een man een vrouw
stevig beet, een vrouw een kind. De beentjes
bewogen zelf. Daarboven aan touw een ballon
als een vis. Daarboven de zon, laaiend.

Het kind hield de vis niet meer. Keek hoe hij
steeg, zwaaide hem na. Wat is er? Wat is er?
De man liet vrouw los, holde de lucht in,
haalde die helemaal leeg.


Jules Deelder uit ZONDER DOLLEN


De wereld is
van iedereen

maar wie betaalt
de rekening

Het kind en dan
het liefst

dat van de
buren


HANS WAP uit Een huismus op stelten, dierengedichten

krijg de bibbers dacht een bever
ik lig te rillen als een riet
geef mij maar een kruik jenever
dan voel ik de vrieskou niet


Hans Sleutelaar en komt uit het boek Rotterdam, een reis door de tijd



GRAFSCHRIFT voor C.B. Vaandrager

De dichter, in stugge woord bedreven,
die zijn gesloten hart nors openstelde,
sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
De stad bestaat in wat hij haar vertelde.
Deel dit artikel: