nieuws

Waar komt het woord kwiek vandaan wat men vaak zegt bij oudere mensen?

06-06-ouderen.jpg
06-06-ouderen.jpg
ROTTERDAM - Tijdens de uitzending van Vraag Het De Bieb van zaterdag 12 januari 2013 werd de volgende vraag gesteld:Raymond Plantinga: Waar komt het woord kwiek vandaan wat men vaak zegt bij oudere mensen?Luister iedere zaterdag van 12.00 tot 14.00 naar Vraag Het De Bieb voor nieuwe vragen en antwoorden.

Kwiek is een latere, klankexpressieve bijvorm bij kwik ‘levendig’. De -ie- kan eventueel ook beschouwd worden als ontlening uit het Brabants. Zie ook → kwik 1

kwik1*, kwiek [levendig] {oudnederlands, middelnederlands quic 901-1000} oudsaksisch quik, oudhoogduits quek [levend(ig)] (hoogduits queck), oudfries quik, oudengels cwic(u) (engels quick), oudnoors kvikr [levend]; buiten het germaans latijn vivus, grieks bios [leven], oudkerkslavisch živ?, litouws gyvas, oudiers biu, oudindisch j?va- [levend(ig)].

Bronnen:

sites en boeken: etymologische woordenboeken

Achtergrondinfo:

Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Siso 835etym. kwiek bn. ‘levendig’

Onl. quic ‘levend’ in quicca f? ‘levende dieren, vee’ [10e eeuw; W.Ps.], quek ‘levend, stromend, fris’ (met -e- uit Hoogduits) in puzza thero quekken wazzaro ‘bron der levende wateren’ [ca. 1100; Will.]; mnl. rash ende ... quich ‘snel en vlot’ [ca. 1350; MNW], ook zelfstandig gebruikt, in quic ‘levend dier’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. quick ‘levendig, snel’ in haer ... steertken is quick ‘haar staartje is levendig, beweegt snel’ [begin 16e eeuw; WNT kwik I]; nnl. dan kwiek ‘zwierig’ in een kwiek jassie [1897; WNT], ‘levendig, vlug’ in zoo kwiek als slingerapen [1907; WNT].

Kwiek is een latere, klankexpressieve bijvorm bij kwik ‘levendig’. De -ie- kan eventueel ook beschouwd worden als ontlening uit het Brabants. Zie ook → kwik 1..

N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek

kwiek* levendig 1897 [WNT]

P.A.F. van Veen en N. van der S?s (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek

kwik1*, kwiek [levendig] {oudnederlands, middelnederlands quic 901-1000} oudsaksisch quik, oudhoogduits quek [levend(ig)] (hoogduits queck), oudfries quik, oudengels cwic(u) (engels quick), oudnoors kvikr [levend]; buiten het germ. latijn vivus, grieks bios [leven], oudkerkslavisch živ?, litouws gyvas, oudiers biu, oudindisch j?va- [levend(ig)].

kwik2* [aardigheid] {1521} waarschijnlijk behorend bij kwik1 [levendig].